DE FONTEIN

                                                                                                                                                                          

 

 

                                

 

 

 

                     ZWOLLE-WEST

 

 

 

 

MENTORAAT IN BEELD

 ©Jan van der Steeg                                                                                                                                                                                                        

 terug

INLEIDING

 

In Zwolle-West is voor de leeftijdsgroepen van 12 – 16 de eerder bestaande traditionele vorm van  catechese en de apart daarvan bestaande de jeugdvereniging, samengesmolten tot het zgn. MENTORAAT.

Hierbij wordt in groepen van ca 8 jongeren o.l.v twee mentoren wekelijks een bijeenkomst gehouden van ca anderhalf uur.

De elementen van catechese en jeugdverenigingspelen een rol. Gepoogd wordt de meer cognitieve aspecten samen met affectieve en handelingsaspecten tot één geheel te vormen.

 

De methode die hierbij gebruikt wordt is Follow-up, versie 2012.

 

Probleem

 

Uit de groep van mentoren, die een soort pionierswerk verrichten, komt de vraag naar voren, wat er nu aan het eind van een jaar bereikt moet zijn. Wat moeten de jongeren kennen en kunnen.

 

Aanbod

 

Dit geschrift is een poging om antwoord op die vraag te geven. In feite rakelen de mentoren met hun vraag een heel veld van onderling verweven zaken aan.

Voordat de vraag op zich beantwoord kan worden moet er dus sprake zijn van een verantwoorde  inkadering.

 

Inhoud

 En als extra:

 

Doelen.

 Wat zijn doelen? Bij veel omschrijvingen stuiten we op diverse problemen. We hebben dan te maken met

 Al deze vormen geven een ombevredigend gevoel: je weet nog niet echt wat er nou bereikt moet worden.

Verder hebben we menigmaal te maken met een zekere weerzin die twee oorzaken heeft:

1.     Leren, het bereiken van doelen heeft vaak de invulling: memoriseren, uit het hoofd leren. Kritiek op de catechese heeft ook vaak deze vorm: “wordt er nog wel wat geleerd”?

2.     Het kan zijn dat het gevoel ontstaat dat er te weinig aandacht is voor de relatie leraar/leerling, voor een goede sfeer, voor samenwerken, voor het opbouwen van een band. e.d.

Deze vormen van soms moeilijk te definiëren weerzin zijn terecht..

We kunnen de zaak alleen verhelderen door een breder kader te zoeken.

Dat doen we aan de hand van een pedagogisch-didactisch model en aan de hand van het begrip “pedagogische triade”.

 

Model

 File1003

 

Beginsituatie

 

Hierbij val te denken aan:

-        reeds aanwezige kennis

-        leeftijdsaspecten, ontwikkelingspsychologische situatie e.d. Een 12-jarige zal nog opener zijn dan een 14-jarige. Enz.

-        verschillen in aanleg, in leerstijl, in motivatie. thuissituatie e.d.

-        leefwereld van jongeren.

 

Doelstellingen

 

Doelstellingen zijn gedragingen die de leerling moet bereiken. Welke kennis, welke emoties, welke handelingen blijken uiteindelijk aanwezig te zijn?

Dit lijkt het opentrappen van een open deur, maar in de praktijk van diverse soorten onderwijs (w.o. kerkelijk onderwijs) is het nog schering en inslag om in termen van leerstof of leraargedrag te omschrijven.

 

We maken onderscheid in

-        de algemene doelstelling: waartoe draag je bij;

-        intermediaire doelstellingen: wat zijn de hoofdlijnen van gewenste kennis en gedrag;

-        concrete doelstellingen: wat moer er aan het eind van een bepaalde periode nu echt concreet aanwezig zijn in het leerling-repertoire.

 

Uit deze formuleringen blijkt al dat je bij doelstellingen te maken hebt met diverse lagen en soorten.

We komen daar strakst breder op terug.

 

 

Evaluatie

 

De ouderwetse vorm van overhoring van de catechismus is er een voorbeeld van, Ongewenst trouwens. Het is niet de bedoeling dat de zaak al te schools wordt: we gaan geen s.o.’s  en repetities houden Maar vormen van evaluatie kunnen en moeten toch wel aan de orde komen, al is het bv. doormiddel van een quiz o.i.d.

 

Onderwijsleersituatie

 

In het model van het voetbalveld zijn de spelers niet al doende ingetekend. Terwijl dat juist wel cruciaal is. Mentor en leerlingen voetballen elk op hun beurt en ook samen. Soms staat de mentor te coachen, soms trapt hij mee.

De onderwijsleersituatie wordt dus bepaald door het balspel. Follow-up gooit steeds de bal in het veld. En wat doen we er mee?

We hanteren groeperingsvormen om het leuk te maken, om ruimte te maken voor verschillende gaven.

De didactische werkvormen geven daar nog veel meer kleur aan en mogelijkheden voor.

Media gebruik komt regelmatig aan de orde. Met dezelfde bedoelingen.

Leerinhouden geven body aan het spel.  Zij geven de bal stevigheid om een forse trap richting doel te kunnen leveren. Nogmaals: leerinhouden graag  opvatten als het geheel van kennis, inzicht, houding, passie en gedrag. Niet alleen dus als: “cognitief = kennen”.

 

Leerprocessen

 

Hierbij gaat het om de wijze van de training. Hier is de mentor van groot belang. Hij maakt gebruik van de drieslag

- Leiden

- Inleiden

- Uitdagen

D.w.z. hij is dus directief, gespreksmatig en loslatend bezig.

Bij alle vormen blijft het van groot belang dat hij zichzelf inzet als model. Daar is de leerling mee gediend. Denk maar weer aan voetbaltraining.

En uiteindelijk is het de ene persoon van de leerling die het moet internaliseren. DAT kunnen we niet voor hem doen.

 

“Triade”.

                           Leraar                                     leerling

 


                                                                                           

                                                 leerstof

 

                    

 

De Nederlandse pedagoog J.D. Imelman heeft terecht  op he belang van de pedagogische triade gewezen. Staat één van de drie centraal, dan is er duidelijk iets mis. Leerstof: de vroegere intellectualistische school. Leerling: vormen als “iederwijs-onderwijs”. Leraar met zijn leerstof: de traditionele docent V.O.

Maar als het accent ligt op het opbouwen van een relatie tussen leerkracht en leerling, hoe belangrijk ook, terwijl dan de leerstof niet mede richtinggevend, dan houd je, aldus ongeveer Imelman, lege hulzen over. Hij vindt dat de tendens in de laatste decennia van het Nederlands onderwijs en de gehele pedagogische situatie.

De juiste weg is: evenwicht tussen de drie polen en hun relaties.

Dat geldt voor vele terreinen: ook voor het geestelijk leven. Beleving zonder kennis, zonder inhouden? Een parallelle gedachte vinden we bij Ds G.Gunnink:

“Wie bang is voor beleving maakt het geloof kapot. Maar: wie blindvaart op beleving maakt het geloof ook stuk, want gehoorzaamheid aan God wordt dan vervangen door wat goed voelt”.[1]

 

 

Cognitief en affectief

 

We zien sommigen afstand nemen van een al te verstandelijke benadering, anderen vinden dat er toch wel iets “geleerd” moet worden.Weer anderen kiezen als ingang en belangrijke doelstellingen: sfeer, zich geaccepteerd voelen, veiligheid voor ieder. Dat zijn echter meer de onmisbare voorwaarden.

 Cognitief functioneren wordt vaak onderscheiden van affectief functioneren, van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Socialiteit, emotionele ontwikkeling, motivatie, morele ontwikkeling e.d. spelen hierbij een samenhangende rol.

Veelal wordt hiervoor gehanteerd het begrip: het affectieve domein.

.Het affectieve terrein wordt als belangrijk ervaren, of zelfs wel gevoeld als tegenstelling,

en soms gekozen als de eigenlijke insteek.

In de prakrijk wordt dat brede veld wel eens versmald tot het begrip: emotionaliteit

 In werkelijkheid is het cognitieve aspect niet te scheiden van het affectieve. Ook bij leren en ontwikkeling is het één geheel.

Onderscheid kan wel gemaakt worden om er greep op te krijgen, maar in de werkelijkheid gaat het over het ene functioneren van een mens.

Het tegenover elkaar stellen is een misvatting.

Al tientallen jaren geldt de onderscheiding van Krathwohl in vele publicaties als de meest geaccepteerde opvatting.[2]

 Krathwohl, maar ook andere onderwijskundigen, gaan er van uit dat de ingang van leren via de cognitie plaats vindt. Het kind gaat de menselijke leefwereld verkennen, waarbij strevingen gewekt worden, zodat de wereld ook affectief een “gezicht” krijgt.

 Het is onjuist, te denken dat doeleinden van niet-cognitieve aard een afzonderlijke verwerking vereisen. De meest gebruikelijke weg is die, welke loopt van het cognitieve naar het affectieve gebied. Dit gaat voor alle soorten pedagogisch-didactische situaties op.

 

Cognitieve en affectieve schaal

 

Om overzicht te krijgen in de materie hieronder een kort overzicht van de cognitieve schaal en de affectieve. Waarbij elke volgend deel complexer is, en de vorige schaal in zich houdt.

Er zijn duidelijke verbanden tussen het cognitieve en affectieve terrein.

 

cognitieve gebied

Het affectieve gebied

waarneming

 kennis

 begrip

 toepassing

 analyse

 synthese

 evaluatie

 

 aandacht

 ontvankelijkheid

 responsie

 organisatie

 internalisering in karakter

 

 Er zijn verdergaande onderverdelingen.

T.a.v. de affectieve taxonomie moet worden opgemerkt dat wij met de leeftijdsgroepen in het mentoraat voornamelijk te maken hebben met ontvankelijkheid en responsie. Organisatie en internalisatie komen wel op gang, maar in de latere leeftijdsklassen neemt dat vastere vormen aan, en tenslotte doe je je hele leven er over.

Het cognitieve gebied geldt in principe voor elke leeftijd, maar is per ontwikkelingsfase minder of meer abstract.

 

Uitwerking cognitief terrein

 

Om de valkuilen bij het omschrijven van doelen te vermijden moet men op een duidelijk concrete laag beslissingen nemen.

De leerstof analyse van de delen 1 – 4 van Follow-up leidde tot het omschrijven van een leerstoflijn. De concrete items in de leerstof werden gedestilleerd, en omschreven in termen van leerling-gedrag.

 

Ankerideeën.

 

Een geleidelijke opbouw van kennis en waardenleven in het innerlijk van die leerling vindt niet plaats als er niet gericht gewerkt wordt aan het ontstaan van ankerideeën

Zonder ankerideeën ontstaat er geen groei, omdat er geen “aanslibbingshouvast” is.

De kerk moet er terecht van uit kunnen gaan dat begrippen als Drie-eenheid, geloof. Rechtvaardiging, verlossing. Middelaar, genade, zonde,  Wet, enz.  aangebracht worden.

 Bij de catechese na het mentoraat valt er zonder deze basisideeën nauwelijks voort te bouwen.

Men kan hierbij niet zonder meer op schoolse kennis voortbouwen: wel heeft de basisschool een zekere basis aangelegd betreffende de Bijbelse geschiedenissen, en mag van de thuisopvoeding ook verwacht worden dat liefde, eerbied e.d. in gang gezet zijn.

Het voortgezet onderwijs reikt veel leerstof aan, ook vaak met de bijbehorende affectieve aandacht. Maar het gevaar van systeemscheiding is toch ook hier aanwezig.

De kerk heeft een eigen taak in een zorgvuldige opbouw van “de voorzeide leer” uit de beloften die bij de doop gedaan zijn door de ouders.

Een opbouw waarbij alle (ook hier aangereikte) middelen uiteindelijk niets anders zijn dan steigerwerk, en niet het eigenlijke gebouw.

.

Opbouw van de concrete doelen.

 

Op de leerstof, en met name op de ankerideeën  werd een rangschikking toegepast, die iets verfijnder is dan de eerder genoemde rangschikking. We onderscheiden:

Herkennen.

Reproduceren.

Interpreteren.

Toepassen.

Evalueren

Hiermee wordt in ieder geval voorkomen dat de concrete doelen blijven rondcirkelen op het niveau van uit het hoofd leren.

En voorst wordt bij de concrete invulling duidelijk dat affectieve aspecten op alle niveaus, maar in ieder geval heel sterk bij Toepassen en Evalueren gewoon meespelen..

 

 

Affectieve doelen?

 

Zijn affectieve doelen meetbaar? Veel komt mee met het cognitieve. En veel is niet meerbaar in directe zin. Je kunt niet in de ziel van een ander kruipen. Je kunt wel aan de buitenkant, aan het gedrag, waarnemingen doen die uit het innerlijk voortkomen.

En wat is dan wenselijk gedrag?

Gedragsuitingen zijn de resultaten van vele facetten. Ontwikkelingsstadium, milieu, eigenheid, zelfbeeld, enz. Je kunt bij cognitieve doelen gemakkelijker aanwijzen wat wenselijk gedrag is. (3x3= 9 moet je geautomatiseerd hebben)

Dat gaat aan deze kant van het menselijk functioneren niet zo gemakkelijk. Wat is wenselijk gedrag voor een bv 12-jarige?

Hier concrete doelen stellen zou riskant zijn : ieder individu heeft z’n eigen ontwikkeling, en het is maar de vraag in hoeverre wij moeten “sturen”.

Men kan beter uitgaan van observatiepunten, en bij het ontbreken of scheefgroeien van gewenst gedrag  proberen bij te sturen. Meer niet. Wij vormen niet direct karakters en wij zijn slechts hulpverleners in het geheel van de opvoeding.

 

Een betere weg is die waarbij er een aantal “peilpunten”geformuleerd worden waaraan een mentor houvast heeft bij wat affectief wenselijk is, en wat haalbaar is. Tevens kan hij via deze observatiepunten pupillen die achterblijven of buiten de boot vallen, herkennen en eventueel bijsturen per individu.

Als het over het mentoraat gaat hebben we in ieder geval te maken met:

 

De observatieschaal

 In rood ongewenst gedrag.

In blauw gedrag dat versterking behoeft.

 In zwart gewenst gedrag.

 De genoemde concrete gedragingen zijn bedoeld als voorbeeld: er zijn per laag nog veel meer mogelijkheden.

We maken gebruik van drie schalen uit de affectieve taxonomie.

Vertaald aan de hand van Krathwohl zou de volgende observatieschaal nuttig kunnen zijn:

   

Schaal

zelfstandigheid

interesse

Kritische zin

samenwerken

 

Aandacht

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ontvankelijkheid

 

 

 

 

 

 

Responsie

1.Afwijzing:afgeleid, ongenoegen uiten, obstructie

2.Ongecontroleerde aandacht:

Wegdromen, meedoen onder druk

3.Selectieve aandacht: fragmentarisch, eigen interesse.

 

 

 

4..Passief: doet wel mee, maar niet actief

 

 

 

 

 

5.Actief: spontaan vragen, regels respecteren.

6.waardering: stelt vragen, stimuleert, spontane voorstellen

1. Oppervlakkig:

vage aanduidingen, wanordelijk.

2.Tolerantie: luistert, doet er niets mee.

 

 

 

 

 

 

 

3. Nieuwsgierig: interesse, snel verslappend.

4.Passief: doet gewoon mee

 

 

5.Actief: spontaan, eigen initiatief,

6 Waardering:. Vindt catechese een uitdaging, denkt zelf verder, komt met nieuwe vragen.

1. Starheid: afgrendelen , geen argumenten hebben en willen

2.Onverschillig: Luistert, maar doet niets met opmerkingen van anderen.

3. Onzekerheid:

Soms grote belangstelling die weer snel wegzakt

 

 

4.Reflexief:

onzelfstandig, doet alleen mee onder (strakke) leiding.

 

 

 

5.Spontaan:

Gaat zelf na of beweringen kloppen, durft in te springen

6. Waardering:

Durft eigen mening te herzien, levert opbouwende kritiek.

1. Desintegratie: afstand nemen, agressief, parasiteren.

 

2.Passief: volgzaam, maar afgeleid, verschuilt zich achter anderen.

 

 

 

 

3.Affiniteit:aandacht voor anderen, samenwerken echter alleen onder druk

 

 

 

4. Plezier: helpt anderen, bemiddelt, moedigt aan, erkent andere opvattingen, neemt initiatieven

 

 

  

Doelen van het mentoraat

 

Algemene doelstelling

 

De kinderen van de kerk gaan in hun ontwikkeling naar het steeds meer liefhebben van God, met geheel het verstand, met geheel het hart en met geheel de ziel en krijgen de naaste steeds meer lief als zichzelf.

 Voor de leeftijdscategorie van het mentoraat aldus geformuleerd volgens de visie van Zwolle-West op het jeugdwerk:

Het doel van het geloofsonderwijs aan de jeugd van onze kerk, is hen te leiden en te begeleiden naar het doen van belijdenis: verantwoordelijk gelovige zijn in relatie met God in afhankelijkheid van Christus. Binnen dat doel spelen de ontwikkeling van kennis, houding, gedrag en vaardigheden een samenhangende  rol. Daarnaast is de inbedding van het geloofsontwikkeling in de gemeente van belang. Het is nader uitgewerkt in verschillende aspecten en doelen van geloofsontwikkeling naar:

1.      Kennis

2.      Houding

3.      Gedrag en vaardigheden

 

Intermediaire doelen

 

1. Kennis

   

      W

       E

       T

       N                           

Kennis van God door Bijbel

Kennisbasis verkrijgen en eigen maken vanuit bijbel

Kennis van God door natuur

Kennisbasis verkrijgen en eigen maken vanuit natuur

Christelijke leer

Kennisbasis verkrijgen en eigen maken vanuit christelijke leer (catechese / formulieren etc.)

Specifieke thema’s

Visie ontwikkelen op specifieke thema’s zoals bidden, relaties, seksualiteit etc.

2. Houding 

 

 

       Z

      IJ

      N          

Geïnternaliseerd geloofsleven met  Bijbelse moraal

 

Overtuigd geloof en beleving. Internaliseren geloofsinhoud en emotioneel stabiel geloofsleven met  Bijbelse moraal

Identiteit in Christus zoeken (afhankelijkheid van Christus)

Rolverwarring / identiteit zoeken: in de fase na 13 jaar treedt een zoeken naar het eigen innerlijk op. Ruimte daarvoor.

Interesse, motivatie en aansluiting bij beleving jongere / gemeente

Ruimte voor eigen inbreng /  beleving, zelfreflectie en  aansluiting leefwereld

3. Gedrag en vaardigheden

 

 

 

        D

        O

        E

        N

Christelijke levensstijl

Onderscheid kunnen maken tussen goed en kwaad en je in leer en leven christelijk te  gedragen.

Persoonlijke relatie met God door Bijbel lezen en gebed

Zelfstandig Bijbel lezen en bidden, persoonlijk en gezamenlijk

Op eigen manier geloof uiten

 

God eren en prijzen op een passende manier

Kennismaken en omgang met “veelkleurigheid” gemeente

Differentiatiemogelijkheden i.v.m. verschil in gaven, leerstijl e.d.

Gemeenschap (plek in gemeente)

Omgaan met en omzien naar elkaar (jongeren, gemeenteleden, kerkenraad)

Geloofovertuiging kunnen uitten

Gesprek met gelovige en niet-gelovige kunnen voeren over geloofsovertuiging.

 

Concrete doelen, cognitief en affectief

 

Cognitief

De concrete doelen zijn ontleend aan de delen van Follow-up.

De intermediaire doelen worden a.h.w. uitgepakt op concreet niveau

Dat uitpakken gebeurt in termen van leerling-gedrag Dat kan niet vaak genoeg gezegd worden!

Wie alleen het oog gericht houdt op deze blz. met doelen schiet het doel voorbij.

De rijke onderwijsleersituaties die Follow-up steeds aanbiedt, daar moet mee gewerkt worden.

En let er dan op dat bepaalde ankerideeën, cognitief/affectief steeds vaster komen in het innerlijk van de leerlingen.

Als dat zo is, kun je het steigerwerk bij het oud ijzer inleveren.

  xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

 

DOELEN EIND 1E JAAR MENTORAAT

 

De geformuleerde concrete doelen refereren aan de algemene doelen geloofsopbouw, waarin onderscheiden wordt in Kennis, Houding, Gedrag en vaardigheden.

Ze zijn geconcretiseerd aan de hand van de leerstof in deel 1 van Follow-up.

 Voor deze leeftijdscategorie (12-13 jarigen) worden de concrete doelen die aan het eind van het leerjaar behoren behaald te zijn, gerangschikt naar:

Kunnen herkennen.

Kunnen reproduceren.

Kunnen interpreteren.

Kunnen toepassen.

Elke opvolgende laag in deze schaal veronderstelt de voorgaande.

 

Over de Bijbel                                                                                                        

 

Leerstoflijn:

-        Waarom is de Bijbel ons gegeven

-        Oude/nieuwe Testament

-        Soorten Bijbelboeken

-        Bijbelschrijvers

-        Gezag van de Bijbel door inspiratie van de Heilige Geest

 

Herkennen.

 De leerlingen kunnen:

  1. Heilshistorische gebeurtenissen in de goede volgorde zetten.
  2. Heilshistorische personen in goede volgorde zetten.

 

Reproduceren.

  1. Minimaal 4 soorten Bijbelboeken noemen en bij elke soort een auteur noemen.
  2. Vanuit art 7 NGB aangeven dat de inhoud van de Bijbel genoeg is voor je behoud, de enig ware leer is, geen wijziging toestaat en dat er geen gelijkheid bestaat met menselijke geschriften.
  3.  Het verschil tussen OT en NT benoemen.
  4. Aan de hand van HC zo 7 vr. 21 noemen wat geloof is: zeker weten dat het Woord van God betrouwbaar is en vertrouwen dat de Heilige Geest door het evangelie mij in het hart legt dat mijn zonden vergeven zijn en dat ik het eeuwige leven krijg.

 

Interpreteren.

  1. De begrippen inspiratie, canoniek en apocrief in eigen woorden weergeven.
  2. In eigen woorden weergeven waarom de Bijbel gezaghebbend is.

 

Toepassen

  1. De 4 stappen van de Bijbelstudie (ontspan/vraag inzicht/ lezen/vragen:-wie,wanneer, waar?/ Wat wordt je duidelijk over God of Jezus) zelfstandig toepassen.
  2. Weergeven  in eigen woorden hoe je de Bijbel ervaart.

 

Over God de Vader en Schepper.

 

Leerstoflijn:

-        Begrip Drie-eenheid

-        God de Vader

-            Wat zijn eigenschappen van God

-            Wat is Gods doel met de Schepping en met jou

-            Gods koningschap, almacht

-             Wie is God als Vader, wie zijn  aangenomen als Zijn kinderen.

-             Ontdekken wat  liefde en trouw van God inhoudt

-             Persoonlijke relatie met God als Vader

 

Herkennen.

  1. Bij gegeven Bijbelplaatsen herkennen of er sprake is van Goddelijke personen

 

Reproduceren.

     1.  Eigenschappen van God noemen.

     2.  De betekenis van JHWH noemen.

     3.  Uit HC zo 8 vr. 25 uit het hoofd opnoemen dat God één is en dat er

           toch drie Personen zijn: Vader, Zoon en Heilige Geest, en waarom we

           dat zeggen.

     4.  De verhouding tussen Doop en Belijdenis in één zin noemen.

     5.  Uit HC zo 9 vr. 26 kunnen aangeven dat

            - God de Vader hemel en aarde uit niets geschapen heeft;

            - deze door Zijn Voorzienigheid in stand houdt en regeert;

            -  Hij je voorziet van alles wat je nodig hebt;

            - Hij elk kwaad tenslotte laat meewerken ten goede.

     6.     Uit art 2 NGB noemen door welke twee middelen wij God

              kennen.

 

Interpreteren.

  1. In eigen woorden weergeven wat de mens als  “kroon der schepping” betekent.
  2. De begrippen adoptie en genade kunnen verbinden aan HC zondag 13, vr. 33 en uitleggen hoe wij ons als kinderen verhouden tot de eniggeboren Zoon.

 

Toepassen.

  1. De Drie-eenheid benoemen en aangeven hoe zich dit verhoudt tot je eigen logisch denken.
  2. In eigen woorden weergeven wat jou indruk is als je leest dat  God de Schepper en Onderhouder is.
  3. Het woord Abba kunnen verklaren en aangeven wat die aanduiding met je doet.
  4. Enkele eigenschappen van jou als kind van God aanduiden, die wat beginnen te lijken op eigenschappen van God.

 

 

 

Over Jezus de Zoon van God.

 

Leerstoflijn:

-        Jezus afkomst

-        Het God en mens zijn van Jezus

-        Wonderen kennen en begrijpen

-        Meer van Gods Koninkrijk Leren kennen.

-        Gebeurtenissen rond en betekenis (persoonlijke redding) van Jezus kruisdood:

-        Emoties van Jezus

-        Gebeurtenissen rond  en betekenis (dood overwonnen)van Jezus opstanding

-        Idem over Jezus Hemelvaart

  

Reproduceren.

  1. De afkomst van Jezus noemen.
  2.  De namen uit Jes. 9: 5B uit het hoofd opnoemen.
  3.  Drie vijanden van je zelf noemen.
  4. Joh 11: 25 uit het hoofd opnoemen.
  5.  Noemen waarom de kruisiging voor Jezus extra zwaar was.
  6.  Minimaal 2 kenmerken van het Koninkrijk Gods noemen.
  7.  Minimaal twee Jezusbeelden -die buiten het Schriftgeloof bestaan- noemen.
  8.  Uit HC zo 17 vr. 45 noemen op welke manier Jezus niet en toch wel bij ons is.
  9.  Over  de Hemelvaart uit HC 19 vr. 49, noemen dat Christus voor ons pleit, dat hij onderpand is voor onze opstanding, en dat Hij de Heilige Geest stuurt waardoor wij zoeken wat boven is.

 

Interpreteren.

  1. “Ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria” in eigen woorden uitleggen.
  2. Kunnen aangeven waarom de Middelaar zonder zonde moest zijn.
  3. Aangeven waarom Jezus gedoopt werd en hoe door zijn doop de relatie met de Drie-eenheid duidelijk wordt.

 

Toepassen

  1. Aangeven wat je denkt bij: Jezus, God en mens.
  2. In eigen woorden aangeven wat het voor je betekent als je leest :   ” Jezus is gestorven voor mijn zonden.”
  3. Aangeven waarom geloven in de opstanding kan botsen met  je verstand.

 

Over God de Heilige Geest.

 

Leerstoflijn:

-        Werking van de Heilige Geest in het OT

-        Uitstorting van de Heilige Geest HG en de betekenis daarvan

-        Werking van de Heilige Geest in eigen leven (geloofsgroei, gaven)

-     Gaven van de Geest

 

 

 Herkennen.

  1. Drie momenten aangeven waarop De Heilige Geest in het OT werkzaam is.

 

   Reproduceren.

  1. De tekenen noemen bij de uitstorting van de Geest.
  2. Minimaal 4 gaven noemen uit Gal 5: 22
  3. In eigen woorden uit DL3/4 art 11 kunnen noemen dat de Geest

o   helpt om Gods woorden te begrijpen

o   je helpt onderscheiden wat God je wil leren

o   doordringt tot je diepste ik en de wedergeboorte in je hart werkt

o   je oude wil breekt, en je wil vernieuwt

o   het je mogelijk maakt om het goede te doen

 

   Interpreteren.

  1. Uitleggen waarom je geloven in je eentje niet volhoudt.

 

   Toepassen.

  1. Aangeven uit Galaten 5: 22 of en hoe jij de gaven van de Geest toepast in je eigen leven.
  2. Eigen talenten en eigen gaven durven noemen.

 

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

DOELEN EIND 2EJAAR MENTORAATT

 

De geformuleerde concrete doelen refereren aan de algemene doelen geloofsopbouw, waarin onderscheiden wordt in Kennis, Houding, Gedrag en Vaardigheden.

Ze zijn geconcretiseerd aan de hand van de leerstof in deel 2 van Follow-up

 

Voor deze leeftijdscategorie (13- 14 jarigen) worden de concrete doelen die aan het eind van het leerjaar behoren behaald te zijn, gerangschikt naar:

Kunnen herkennen.

Kunnen reproduceren.

Kunnen interpreteren.

Kunnen toepassen.

Elke opvolgende laag in deze schaal veronderstelt de voorgaande.

 

Over de Kerk

 

Leerstoflijn:

-        Gods aanwezigheid bij de mensen tijdens de Bijbelse tijd.

-        doel van de kerk(dienst)

-        taken en functies in de kerk

-        Structuur van een kerkdienst

-     Sacramenten

-     Ambten

 

Reproduceren.

 

  1. Aangeven hoe God in het OT aanwezig was.
  2. Noemen dat offers verzoening inhielden.
  3. Minimaal 4 elementen van een kerkdienst noemen.(Votum, groet, zegen, gebed, zingen, lezing, preek, wet/belijdenis, collecte)
  4. Met behulp van zondag 21 HC vr.  54 3 over de Kerk noemen

        - Dat de Zoon van God zijn gemeente bijeen haalt

       - Dat die bestaat ui mensen die zijn uitgekozen tot het eeuwige leven

       -  Dat Jezus de kerk bij het ware geloof houdt door Zijn Geest en Woord

        -  Dat jij hiervan een levend lis bent en eeuwig zult blijven.

  1. De ambten in de kerk noemen
  2. Minmaal 2 taken noemen die voor elke gelovige gelden
  3. De twee sacramenten noemen.

 

Interpreteren.

  1. Uitleggen wat “gemeenschap der heiligen” inhoudt en betekent.
  2. Met behulp van 1 Kon 8:27-30 uitleggen hoe Salomo Gods aanwezigheid uitdrukt.
  3. Uitleggen wat het betekent dat sacramenten “teken en zegel” zijn.

 

Toepassen

  1. Verwoorden welke persoonlijke associaties het begrip “kerk” oproept
  2. Aangeven hoe je ervaart dat Godwil wonen in je hart”.

 

Over de Wet

 

Leerstoflijn

-        Bedoeling van de wet.

-        Kern van de wet

-        Inhoud van de 10 geboden.

-        (Geloofs)leven aan de hand van de geboden.

-        God staat centraal

 

Reproduceren

  1. De samenvatting van de Wet zoals die door Jezus gegeven is uit het hoofd noemen.

 

Interpreteren.

1.  De 10 geboden per gebod in eigen woorden weergeven aan de hand van de   volgende begrippen kunnen relateren aan de Tien Geboden:

 respect!; vrede, één God; eerbied!; eerlijk; tevreden; trouw; bezit; rust in vrijheid; niet te filmen.

  1. Verklaren waarom de Wet nodig is.

 

Toepassen.

1. In eigen woorden weergeven of je de wet streng vindt,  lastig, of dat ze vrijheid en richting geeft.

2. Afgoden in deze tijd benoemen en uitleggen waarom je ze afgoden kunt noemen..

 

 

Over het gebed

  

Leerstoflijn:

-        Waarde van bidden en danken is  contact/relatie met God.

-        Verhoring van gebeden.

-        Betekenis van zonde en het herkennen hiervan bij zichzelf en in hun omgeving.

-        Hoe het goed komt tussen God en mensen.

-        Inhoud van Gods genade en vergeving.

-        God prijzen en danken.

-        Omgang van verschillende Bijbelse personen met het gebed.

 

Reproduceren.

1.     De vijf gebedspunten  (danken, bidden voor de wereld om je heen, voor jezelf, om reiniging en vergeving, prijzen) noemen.

2.     Psalm 103: 12 (onberijmd) uit het hoofd opnoemen.

3.     Noemen waarop God de vergeving ui Ps 103 op baseert.

4.     De betekenis van het woord“amen”noemen.

 

Interpreteren.

1.     Het “onze vader”als gebed gebruiken en de inhoud uitleggen in eigen woorden

2.     In eigen woorden weergeven wat “zonde, vergeving en genade” betekenen.

3.     In eigen woorden het verband tussen “bidden”en “reukwerk” met behulp van Ps 141:12 aangeven.

 

 

Toepassing.

1.     Aangeven wat voor jou persoonlijk de zin van bidden en danken is.

2.     Aangeven wat het begrip “schuldgevoelens”persoonlijk oproept.

3.     Aangeven hoe je zelf omgaat met de vijf gebedspunten in contact met God.

4.     Benoemen wat “genade”voor jou betekent.

5.     Enkele vraagpunten (verschil horen/verhoren, gevoel van onverhoord zijn) rondom gebedsverhoring benoemen en de eigen ervaring daarover weergeven.

 

 

 xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

  

DOELEN EIND 3e JAAR MENTORAAT

 

De geformuleerde concrete doelen refereren aan de algemene doelen geloofsopbouw, waarin onderscheiden wordt in Kennis, Houding, Gedrag en vaardigheden.

Ze zijn geconcretiseerd aan de hand van de leerstof in deel 3 van Follow-up

 

Voor deze leeftijdscategorie (14-15  jarigen) worden de concrete doelen die aan het eind van het leerjaar behoren behaald te zijn, gerangschikt naar:

Kunnen herkennen.

Kunnen reproduceren.

Kunnen interpreteren.

Kunnen toepassen.

Kunnen evalueren

Elke opvolgende laag in deze schaal veronderstelt de voorgaande.

 

Jezus ontmoeten, toen

 

Leerstoflijn

- Voorzienigheid

- God kiest- hoe kies je met God

- Wij zijn Gods eigendom

- De tijd tussen OT en NT; Messiasverwachting

- Veranderingen door Jezus komst

- Art 17 NGB: HC Zo 6,18/19 ; Zo 42, 11 ;Zo 23, 60 ; Gal 2: 20/21

- Evangeliën: overeenkomst en verschillen

- Middelaar

- (voor) Oordelen en Jezus liefde voor zondaren

- Jezus dienen en ons dienen.

- Genade, rechtvaardiging

- Zendingsreizen van Paulus, Paulus leer

- Petrus en de heidenen

 

Reproduceren.

  1. HC Zo1 antw. 1 in eigen woorden opnoemen.
  2. De betekenis van het begrip “Voorzienigheid”noemen.
  3. De zes aspecten van het kiezen met God noemen
  4. Enkele gegevens noemen uit de periode tussen OT en NT.
  5. Betekenis van het woord “Messias” noemen.
  6. De “specialiteit”van elke evangelist noemen.
  7. De betekenis van de begrippen “genade”en “rechtvaardiging”noemen.

 

Interpreteren.

  1. Verklaren hoe ongedacht Jezus in zijn tijd handelt met Zacheus, de Samaritaanse vrouw en de overspelige vrouw, en de reacties daarop kennen en verklaren.
  2. Verklaren waarom de Farizeeën zich ergerden aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan.
  3. HC Zo 42,11 in eigen woorden uitleggen.
  4. HC Zo 23,60 in eigen woorden weergeven.
  5. Aan de hand van art 17 NGB de begrippen “ellende” en “verlossing” verklaren.
  6. Uitleggen waarom Gal 2:20 / 21 de kern van Paulus prediking uitmaakt.
  7. Uileggen aan de hand van de kaart van de zendingsreizen waarom bij de 4e reis va Kreta een rare koers gevaren wordt.
  8. De geografische loop van het evangelie aan de hand van Handelingen in grote lijnen kunnen weergeven.
  9. Het dilemma van Petrus uitleggen.

 

Toepassen

  1. De zes aspecten van kiezen met God demonstreren aan de hand van een eigen ervaring.
  2. De specialiteit van elke evangelist demonstreren aan de hand van het 1e hfst van elk evangelie.
  3. Aan de hand van HC Zo 5 het begrip “Middelaar”in beeld brengen in steekwoorden.
  4. Aan de hand van een eigen ervaring uitleggen wanneer er sprake is van Agape.

 

 

Evalueren.

  1. Aan de hand van een eigen ervaring verklaren hoe je het ervoer toen iemand er blijk van gaf de minste te zijn.
  2. Inschatten wat er met een huwelijk gebeurt waar men veel van de ander verwacht.
  3. Inschatten en verwoorden hoe “genade” in je eigen leven een rol speelt.
  4. Aan de hand van HC Zo 23.60 evalueren hoe zwaar “zonde”voor jou persoonlijk weegt,
  5. De gedachte dat “iedereen die over Jezus schrijft spreekt e.d. een apostel” is, beoordelen.
  6. Aangeven wat Gods “oplossing”voor het dilemma van Petrus is voor jou persoonlijk zou kunnen betekenen.

 

Jezus ontmoeten nu

 

Leerstoflijn

     - Jezus volgen

      - De Discipelen en Petrus

      - HC 33 vr 90

- Farizeeën en Jezus

      - Rechtvaardiging en heiliging HC32 vr 86

- Omgang: besmet worden met

- Jezus zoekt kracht door het gebed. HC45 vr 116

       - Getuigen en belijden. HC 12 vr 32

   - Brieven in de bijbel

 -Volharding en support. DL V, 13

 

Reproduceren.

      1.  Het begrip “volgen”op verschillende manieren benoemen

      2.  Het antwoord van Petrus op Jezus’ vraag: “wie zeg jij dat ik ben”, reproduceren..

      3.  Enkele eigenschappen noemen die gaan behoren bij het volgen van Jezus.

      4.  Enkele kenmerken van de Farizeeërs noemen.

      5.  De betekenis van de begrippen “rechtvaardigen” en “heiliging” noemen.

      6.  Minimaal vier gebeurtenissen noemen waarbij Jezus zijn kracht zoekt in het 

          gebed.

  1. De drie kenmerken van een  gelovig gebed volgens HC45/117 noemen.
  2. Drie bedoelingen van de Brieven uit het NT noemen.

 

    

Interpreteren.

  1. Het verband kunnen verklaren tussen Petrus verloochening en zijn herstelling als apostel.

      2.  Uitleggen wat Jezus uitdrukt met zijn woorden: “als schapen zonder herder”.

  1. Aan de hand van HC zo 33 de kenmerken van bekeerd zijn uitleggen.
  2. Verklaren waaruit het verschil tussen Jezus en de farizeeën nu echt blijkt.
  3. Aan de hand van HC32 antw. 86 uitleggen hoe de verhouding is tussen onze verlossing en “goede werken”.

 

Evalueren.

  1. De persoonlijke reactie verwoorden als Jezus vraagt: en hou jij van Mij?”.
  2. Het verschil in houdingen volgens Luc 18:9-14) beoordelen.
  3. Genuanceerd de vraag beoordelen: “waren die Farizeeërs nu zo gek”?
  4. Aan de hand van de begrippen profeet, priester en koning uit de HC zelf kunnen evalueren of je daar iets van hebt.
  5. Beoordelen of “Jezus volgen”ook kan betekenen dat je Jezus na-doet, Hem na-volgt.
  6. Verwoorden of het zaken van Jezus naar kracht uit het gebed misschien bij jezelf aanwezig is.
  7. Het “bidden zonder ophouden” uit HC 45/116 beoordelen .
  8. Voor zichzelf evalueren of en wat de Brieven uit het NT je iets “doen”.
  9. Beoordelen aan de hand van DL V,13 of het begrip “volharding”’mogelijkerwijs overeenkomt met eigen ervaring, en indien niet: verwoorden wat problematisch is.
  10. Het verwoorden van associaties die mogelijk kunnen zijn bij  de benaming “aanhangers van de Weg”(Hand 9:2)

 

 

 

Jezus volgen straks

  

       

-        Leerstoflijn

-        Romeinen 8. Toestand van de schepping

-        Satan, Job en God.

-        Rol, mogelijkheden en kenmerken van de Satan,

-        Probleem van het lijden. Draagkracht.

-        De wederkomst volgens 1 Tess 4:16-18. HC 22 / 58.

-        Openbaringen. Positie van Johannes.

-        Symbolen uit Openbaringen.

-        Brieven aan de zeen gemeenten

-        Wederkomst, hemel en hel, oordeel en vrijspraak. Verkeerde interpretaties.

-        Gewenste houding, zware eindtijd voor christenen, NGB art 37

 

 

Reproduceren.

  1. Aangeven wie Satan is en wat zijn doel is.
  2. HC 22 antw. 58 kunnen reproduceren.
  3. Reproduceren dat de beelden, symbolen dieren e.d. uit Openbaringen niet letterlijk zijn
  4. Marcus 13: 22 reproduceren.
  5. Noemen voor wie eeuwig leven is.
  6. Joh 5:24 reproduceren.

 

Interpreteren.

  1. Uitleggen wat bedoeld wordt met “de hele schepping in barensnood” Rom 8:22/23
  2. Verklaren waarom Johannes op Patmos zat.
  3. De betekenis van de volgende symbolen verklaren: draak, vrouw, slang, woestijn, Lam. Leeuw, Beest, 666, boekrol, alfa, omega.
  4. Aan de hand van Matth. 24:42-44 en 1 Petr 3:13-15 de juiste houding voor christenen inzake de eindtijdverwachting uitleggen.
  5. Het begrip: de grote scheiding” uitleggen.

 

Evalueren.

  1. Verwoorden welke gedachten kunnen opkomen als God en Satan afspraken maken over Job.
  2. Beredeneren dat “lijden als gevolg van zonde”een indirecte lijn is. Mede aan de hand van Jezus voorbeelden hierbij.
  3. Beredeneren hoe 1 Kor 10:13 wel of niet als troosttekst aangeboden kan worden aan mensen die met zwaar lijden te maken hebben.
  4. Aan de hand van 1 Tess 5: 2 ,”als een dief in de nacht” een beoordeling geven over eindtijdberekeningen.
  5. Mogelijke oordelen beredeneren over “geloof uit angst voor de hel”.
  6. De gevoelens en meningen  beoordelen over de opvatting dat “ een liefdevolle God niet te rijmen is met de hel”.

  

 xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

  

 DOELEN EIND 4e JAAR MENTORAAT

 

De geformuleerde concrete doelen refereren aan de algemene doelen geloofsopbouw, waarin onderscheiden wordt in Kennis, Houding, Gedrag en vaardigheden.

Ze zijn geconcretiseerd aan de hand van de leerstof in deel 4 van Follow-up

 

Voor deze leeftijdscategorie (15-16 jarigen) worden de concrete doelen die aan het eind van het leerjaar behoren behaald te zijn, gerangschikt naar:

Kunnen herkennen.

Kunnen reproduceren.

Kunnen interpreteren.

Kunnen toepassen.

Kunnen evalueren

Elke opvolgende laag in deze schaal veronderstelt de voorgaande.

 

Op zoek

 

Leerstoflijn

-  Bestaan van God – argumenten - godservaringen

-  God in de schepping – Rom 1: 20 – NGB art 1 en 2

-  God en religie –ietsisme – atheïsme – God in Athene, Hand 17: 16-27

-  Vijf wereldgodsdiensten- Het verschil: genade – Middelaar, HC 5

-  Allah, Islam, Koran Mohammed

-  Sjiieten, Soennieten- 5 zuilen – Ramadan - Kaäba

-  Jezus in de Islam. Verschil met de Bijbel – 1 Joh 4:12

-  Twijfel – Descartes

-  Twijfel, zonde?

-   Kleingeloof – Groeien in geloof

-   Geloof als genieten –altijd vreugde?

-   Geloofshelden – HC ellende, verlossing, dankbaarheid

 

Reproduceren.

  1. Enkele godservaringen bij personen uit de Bijbel noemen
  2. Uit de NGB art 1 en 2 noemen dat God één en almachtig is en dat we Hem kennen uit de natuur en de Bijbel
  3. Het kernonderscheid tussen Jezus en alle andere godsdiensten noemen.
  4. De vijf wereldgodsdiensten benoemen.
  5. Enkele kernpunten uit het leven van Mohammed noemen.
  6. De vijf zuilen kunnen noemen
  7. 1 Joh 4: 12 “Als iemand belijdt dat Jezus de Zoon van God is, blijft in God en God blijft in hem” reproduceren.
  8. De drieslag ellende verlossing en dankbaarheid reproduceren.

 

Interpreteren.

  1. De begrippen ietsisme en atheïsme uitleggen
  2. De begrippen Islam, Koran, Kaaba, Ramadan, omschrijven.
  3. Kleingeloof kunnen omschrijven, idem geloofsgroei

4.   Descartes stelling kunnen omschrijven

 

Evalueren.

  1. Mogelijke godservaring uit eigen leven of uit de naaste omgeving aanwijzen en de eigen gevoelens daarover verwoorden.
  2. Aangeven welk “godsbewijs” je persoonlijk het meeste aanspreekt en aangeven waarom.
  3. Omschrijven hoe Rom 1: 20 op jou persoonlijk overkomt.
  4. Paulus optreden op de Areopagus weergeven en de eigen mening hierover aangeven
  5. Jozua 24:15 “kies dan heden wie je dienen wilt”aangeven welk appel dit op jou persoonlijk doet.
  6. De vraag of Allah dezelfde is als de God van de Bijbel nar eigen gevoelen en met redenen omkleed aangeven.
  7. “Ik denk dat ik besta”. Verwoorden welke gevoelens dit bij jezelf oproept.
  8. De drieslag uit de HC waarderen als volgorde of als een continu proces.
  9. Ps 40:17. Aan de hand hiervan je persoonlijk gevoel weergeven over de stelling dat je God kunt “genieten”.
  10. Wees altijd verheugd” (Fil 4:4) vergelijken en waarderen tegenover de oproep altijd blij te zijn als kind van God.

 

Geloven in de kerk

 

Leerstoflijn

-        Kerk als trainingsplaats, samen God eren, eenheid, toezien op elkaar (tucht), als apart gezette gemeenschap. NGB 28, 1e deel. Niet verslappen (Hebr 10,42/25.)

-        Dwaasheid voor de wereld, 1Kor1:21

-        Gij geheel anders: Ef 5:15, welke weg ga je. Idem Ef 4:17-24

-         Kerk van alle tijden- plaatselijke kerk

-        Aanvallen van boven, buiten en binnenuit. Onkerkelijkheid

-        Geestelijke strijd. “Contradictie”: in Fil 2:13/14

-        Bijbels preken over de Kerk als: schapen met een herder/ lichaam net leden en een Hoofd/ geestelijke tempel met stenen en een Hoeksteen/ heilige stad Gods, neerdalend uit de hemel.

-        Kerkscheuringen Kenmerken van de kerk: goede leer, doop en avondmaal, toezien op elkaar.

-        De vijf SOLA’s van de reformatie.

-        Kernpunt van het ontstaan van de Gereformeerde kerk ( vrijgemaakt)

 

Reproduceren.

      1.  Enkele functie van de kerk noemen (training, eenheid vieren, God eren, elkaar

            steunen)

      2.  Kenmerken ui Art 28 NGB noemen (apart gezette eenheid, verkondiging van de

           verlossing,onderwijs, meewerken)

      3.  1 Kor 1:21b reproduceren (dwaasheid van de verkondiging)

      4.  Gevaren in de geestelijke strijd noemen ( van binnenuit, van buiten en van

            boven)

      5.  Drie herkenningspunten van de kerk noemen (Evangelie, sacramenten, toezicht)

      6.   De vijf Sola’s van de Reformatie noemen.

      7.   Kernpunt van de Vrijmaking noemen.

    

 

 

Interpreteren.

  1. De manieren waarop de Bijbel over de kerk spreek uitleggen
  2. Uitleggen waarom de drie herkenningspunten van de kerk kunnen leiden tot scheuringen.
  3. Verschil en overeenkomst kunnen uitleggen tussen de kerk van alle tijden en de plaatselijke kerk.

 

Toepassen.

1.     De functies van de kerk toepassen op de eigen plaatselijke kerk.

2.     De herkenningspunten van de kerk toepassen op de eigen kerk.

3.     Na het bestuderen van Ef 4:17-24 ( gij geheel anders) enkele toepassingen formuleren op het eigen leven.

 

Evalueren.

  1. Hebr. 10 : 24.25 ( over de samenkomsten) vergelijken  met de eigen praktijk en de gevoelens daarbij.
  2. Bij de “tegenstelling” in Fil 2:13/14  de eigen gevoelens hierbij verwoorden.
  3. Formuleren welke gevoelens opkomen bij “de dwaasheid van de prediking”(1 Kor 1, 21)
  4. Beoordelen of de gezegden : geloven in de kerk / geloven met de kerk / geloven zonder de kerk” mogelijk zijn en of ze wenselijk zijn.
  5. Voor jezelf kunnen evalueren en verwoorden hoe je het kernpunt  van de vrijmaking ervaart.

 

 

Jouw leven

          

Leerstoflijn

In het deel JOUW LEVEN wordt een beroep gedaan op de hoogste categorieën van het cognitieve domein, te weten kritisch en creatief denken. Tevens is er een nauwe samenhang met het affectieve terrein, te weten met de organisatie van waarden in de persoonlijke structuur.

De volgende terreinen van het dagelijks leven van 15-16 jarigen komen in beeld:

-        school

-        pesten

-        internet

-        sport

-        geld

-        muziek

-        vrienden

-        uiterlijk

-        seks

-        genotsmiddelen: alcohol, drugs, roken

 

  Per onderwerp worden kernpunten genoemd die tijdens de bijeenkomst besproken worden, als feitelijke gegevens. Er hoeft niet speciaal iets uit het hoofd geleerd te worden: het gaat er om dat iedereen het over hetzelfde gaat hebben. Hiervoor worden de gegevens uit het boek gebruikt

 

Cursief gedrukt discussiepunten waarbij naast een gezamenlijke mening een eigen mening geformuleerd kan worden.

Hierbij gaat het om het eerste onderdeel van evaluatieve verwerking van informatie: kritisch denken.

Bij alle onderwerpen kan de mentor of de leerling nieuwe vraagstukken opwerpen, die eveneens beoordeeld kunnen worden. Hierbij hebben we te maken met het creatieve denken.

 

Criteria.

De criteria voor kritisch en creatief denken kennen voor gereformeerden de volgende toetsingspunten:

-        de feiten

-        spiegeling aan de normen van Gods Woord

-        luisteren wat je medebroeders er van denken

-        voldoen aan wat logisch is

-        besef dat al ons denken, voelen eb beslissen behoort opgenomen te zijn in Gods onnavolgbare gang naar zijn eeuwig koninkrijk.

 

School

Feitelijke gegevens o.a.: motivatie- IQ- gezag- omgaan met anderen.

                                  Hoe laat je je in school leiden in je handelingen?

 

Pesten

Gegevens:  wat is plagen/pesten-  ontstaan -  gevolgen – bijbel en pesten

                                Hoe handel je als je gepest wordt?

                                Hoe handel je als je pesten waarneemt

 

Internet

Gegevens: nut, onmisbaar, misbruik, cyberpesten, verslaving (gamen, porno chatten)

                               Beoordeel diverse kanten van pesten  aan de hand van de tien 

                                geboden. Gebruik eventueel ook de uitleg van de HC

                                 Beoordeel de uitspraak:” Een reuzenstap ter hemel en ter hel.”

 

Sport

Gegevens: waardevol:samenwerken,respect, gezondheid, verantwoording nemen

                  Misbruik: diverse mogelijkheden. Sport als religie. Paulus en sport.

Ga per gebod van de tien na wat de gevolgen zijn voor je  sportbeoefening.

Beoordeel het religieuze karakter van de eredivisie

 

Geld

Gegevens: geld en jongeren. Zwart werken. Goede doelen. Lotto, gokken. “Verzamel u geen schatten op aarde”.Rentmeesterschap.

                               Beoordeel manieren van omgaan met geld aan de hand van alle tien

                                geboden. Gebruik eventueel ook de uitleg van de HC

 

Muziek

Gegevens: stijlen, smaak, soorten, muziek in de bijbel

                               Beoordeel of de zin van dichter Koos Geerds kan:

                                  “God houdt van avontuur, muziek en donderjagen”

                              “Er bestaat goede en slechte muziek”Is dit verdedigbaar?

                               Orgel in de kerk

                               Band in de kerk:   ontwerp criteria voor goed gebruik

                               Ontwerp enkele criteria vor liedteksten in de kerk te gebruiken.

Vrienden.

Gegevens: vriendschap, netwerken, eros, charitas. Soorten vriendschap

Bijbel en vriendschap.

Bijbel online: zoekterm vriend. Beoordeel jezelf aan de hand van de Spreuken over vriendschap

“God is je vriendje niet”. Evalueer deze uitspraak

 

Uiterlijk

Gegevens: zelfbeeld, negatief --- positief. Invloed van hoe je denkt dat een ander over je denkt. Zelfbeeld en psalm 8.

“Je bent een parel in Gods hand”. Ook met puisten? Beoordeel of je dit wel of niet kunt zijn

1 Petrus 3: 3 en 4. Beoordeel en bespreek hoe serieus je dit kunt nemen en hoe je dit serieus kunt nemen.

 

Seks

Gegevens: definitie, jongeren in Nederland en seks. Daad en/of liefde. Het begrip “lekker ding”. Bijbel en sexualiteit, of beter gezegd. Bijbel en huwelijk.

Beschrijf hoe je je voelt als JIJ als lekker ding wordt genoemd, en ontwerp hoe je je teweer stelt.

Ontwerp argumenten voor jongens en meisjes om toch maar een “zielige achterlijke maagd” te blijven

 

Genotsmiddelen

Gegevens over alcohol, drugs en tabaksgebruik

                                    “Drugs niet, alcohol en tabak wel”. Evalueer deze uitspraak

                                    “Na uitgebreid alcoholgenot”ben je niet te genieten”

                                     Beoordeel deze uitspraak.

  Lees Spreuken 23: 29 – 35.Probeer de onderdelen uit te leggen met  elkaar en beoordeel het waarheidsgehalte aan de hand van wat je om je heen kunt zien.

“Roken moet je in ieder geval geprobeerd hebben. Bedenk argumenten voor deze stelling en beoordeel ze daarna.

 

                                                                                                      terug

 

 

 

BIJLAGEN

 

 

Deze zijn bedoeld als extra handreiking.

 

 

 

 

 

   xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

                                                  HOE WERKT LEREN?

 

Leren is een ingewikkeld proces. We kunnen onderscheiden tussen opzettelijk en spontaan leren. Dat laatste treedt in allerlei levenssituaties op. Het effect daarvan kan op de duur heel groot zijn. Wij beperken ons tot het expliciete leren, dat doelbewust in gang gezet wordt.

 

Leren is een proces waarbij kennis, vaardigheid, motivatie, affectiviteit (gevoelens), moraliteit (gewetensontwikkeling), socialiteit (samendoen), situationele setting (leefwereld) en individuele verschillen een grote rol spelen.

 

Traditie

In onderwijs (en catechese), gericht op jeugdigen (die een vloeiender en wisselender vorm van informatieverwerking hebben) zijn de meer traditionele vormen vooral gericht op kennisoverdracht. De andere aspecten zijn wel altijd erkend, maar door de vormgeving en door het primaat van de docerende vaak te weinig gepraktiseerd.

De leraar/catecheet biedt aan, vaak mededelend/docerend. De leerstof en de leervorm zijn uniform. Hij leidt een eventuele verwerking, regelt het memoriseren, en controleert of de kennis reproduceerbaar, oproepbaar is.

 

Wanneer deze aanpak de boventoon voert, treden nadelige verschijnselen op.

De innerlijke motivatie wordt te weinig aangesproken, gevoelens en moraliteit resoneren te weinig mee, samenwerken met anderen is nauwelijks aanwezig, er is te weinig contact met de eigen leefsituatie, individuele verschillen kunnen niet gehonoreerd worden, en de kennis is vaak niet bruikbaar voor de persoon zelf. Onderwijs/ catechese kan zo een geïsoleerd blok worden.

 

Modernere opvattingen

Bij de modernere opvattingen over leren wordt de definitie verbreedt.

Leren is een constructief, cumulatief, doelgericht, gesitueerd, coöperatief en individueel verschillend proces van kennisverwerving, betekenisgeving en vaardigheidsontwikkeling.

 

Het belangrijkste verschil met de beperktere opvatting zit in het feit dat kennis opbouwen gezien wordt als een proces dat de lerende zelf moet verwerken. Kennisoverdracht lijkt teveel op ingieten: de leerling echter moet zijn kennis zelf construeren met behulp van de aangereikte gegevens.

Relateren, structureren, analyseren, memoriseren, kritisch verwerken zijn enkele voorbeelden van verstandelijke, cognitieve leerfuncties.

Motiveren, concentreren, zelfbeoordeling, inspannen, emoties hanteren, verwachtingen hebben zijn voorbeelden van affectieve (gevoelsmatige) leerfuncties.

Kennis is aangroeiend, cumulatief: aansluiten bij, gebruik maken van en integreren van reeds aanwezige kennis verbetert het zich eigen maken van nieuwe kennis.

Kennis moet verbanden hebben met de leefwereld, moet gesitueerd zijn. Dit hangt o.a. ook samen met de zelfconstructie en de betekenisgeving.

Leren is niet geïsoleerd: samenwerken is vaak beter.

 

Leiden en begeleiden

Het primaat van de docent gaf een accent te zien op leidend onderwijzen, waarbij leren kon optreden. Maar je kunt heel tevreden zijn over je aanbod, terwijl de leerling iets anders oppikt.

Daarom kan onderwijzen beter opgevat en gepraktiseerd worden als het creëren van onderwijsleersituaties in een rijke context (dus niet “sec” maar met veel relaties naar de  leefwereld), waarin lerenden worden gestimuleerd, geholpen en ondersteund bij het zelf opbouwen van waardevolle kennisinhouden, houdingen en vaardigheden. Zowel leiden als begeleiden spelen een rol. Uit divers onderzoek blijkt dat de modernere versie positieve effecten heeft. Volledige zelfsturing leidt echter vaak tot negatieve effecten.

Vandaar leiden en begeleiden. Structuur bieden (de sterke kant van het “oude leren”) en ruimte geven voor de echte internalisering, het eigenaar worden van het geleerde.

 

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

 

DIDACTISCHE ZELFEVALUATIE

 

COMMUNICATIEVE VAARDIGHEDEN

                                                                        LAAG                                                           HOOG

 

1

2

3

4

5

Neemt ontspannen de leiding

 

 

 

 

 

Ontvangt de leerlingen als gasten

 

 

 

 

 

Onderhoudt oogcontact met allen

 

 

 

 

 

Noemt de leerlingen bij de naam

 

 

 

 

 

Luistert actief

 

 

 

 

 

Spreekt verstaanbaar en overtuigend

 

 

 

 

 

Reageert adequaat op vragen van leerlingen

 

 

 

 

 

Maakt gebruik van humor

 

 

 

 

 

Enthousiasmeert en motiveert

 

 

 

 

 

Correct taalgebruik

 

 

 

 

 

Heeft gevoel voor nabijheid en distantie

 

 

 

 

 

 

PEDAGOGISCHE VAARDIGHEDEN

                                                                        LAAG                                                           HOOG

 

1

2

3

4

5

Is tactvol

 

 

 

 

 

Is empatisch

 

 

 

 

 

Geeft individuele hulp en aandacht

 

 

 

 

 

Kan inspringen op verschillende begaafdheden

 

 

 

 

 

Heeft een goede binding met de leerlingen

 

 

 

 

 

Creëert een ordelijke, prettige werksfeer

 

 

 

 

 

Geeft grenzen duidelijk aan

 

 

 

 

 

Reageert adequaat op gewenst gedrag

 

 

 

 

 

Reageert rustig maar beslist op ongewenst gedrag

 

 

 

 

 

Laat zien wie hij zelf is

 

 

 

 

 

Geeft opbouwende kritiek

 

 

 

 

 

 

DIDACTISCHE VAARDIGHEDEN

                                                                        LAAG                                                           HOOG

 

1

2

3

4

5

Geeft vooraf aan wat er aan de orde komt

 

 

 

 

 

Controleert het huiswerk

 

 

 

 

 

Legt duidelijk uit

 

 

 

 

 

Houdt de draad van de les merkbaar vast

 

 

 

 

 

Kan een leergesprek houden met een duidelijke lijn

 

 

 

 

 

Is concreet en geeft voorbeelden

 

 

 

 

 

Stelt vragen aan verschillende leerlingen kris/ kras

 

 

 

 

 

Speelt vragen terug naar de groep

 

 

 

 

 

Honoreert goede antwoorden

 

 

 

 

 

Herhaalt en vat samen

 

 

 

 

 

Zet leerlingen aan tot probleem oplossen

 

 

 

 

 

Legt verbanden met ervaringen van leerlingen

 

 

 

 

 

Benut de lestijd effectief

 

 

 

 

 

Kan omgaan met vragen/  situaties

 

 

 

 

 

Kan vragen van de leerlingen goed inbedden

 

 

 

 

 

Geeft duidelijk huiswerk op

 

 

 

 

 

Geeft duidelijk aan wanneer de les is afgelopen

 

 

 

 

 

 

LEERLINGGEDRAG

                                                                         LAAG                                                           HOOG

 

1

2

3

4

5

De leerlingen stellen vragen over de leerstof

 

 

 

 

 

Ze komen met persoonlijke vragen

 

 

 

 

 

Ze reageren open op persoonlijke vragen

 

 

 

 

 

Ze voegen zich in de lijn van de les

 

 

 

 

 

Ze doen mee met het leergesprek

 

 

 

 

 

Ze luisteren naar elkaar

 

 

 

 

 

De groepssfeer is goed

 

 

 

 

 

Ze accepteren  verschillen in aanleg

 

 

 

 

 

Ze zijn NIET gericht op  ordeverstoring

 

 

 

 

 

Ze hebben het huiswerk geleerd

 

 

 

 

 

Ze zijn grotendeels aanwezig

 

 

 

 

 

Absentie is gemeld

 

 

 

 

 

 

 

 xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

 

 

LEERSTOFOVERZICHT GODSDIENST GREIJDANUS

 

VMBO 1 en 2

 

Vergelijkbaar mat Havo 1 en 2, volgens de docent.

  

VMBO 3 en 4

De stof is verdeel over 7 perioden in die twee jaar. Hierbij wordt per stofonderdeel gebruik gemaakt van allerlei  werkvormen.

 

VMBO 3

1. Het Nieuwe Testament: De evangeliën

       Johannes de Doper

2.De Bergrede. Navolging van Christus

3. Gelijkenissen en discriminatie

4. Zending en evangelisatie

 

VMBO 4.      

5. Bijbelboek Handelingen

       Zendingsreizen

6.De Kerk.        De Islam

7. Seksualiteit en christen zijn

                     Eindpresentatie

 

Havo/Vwo  1, 2, 3

1e klas

1. Het leven van Jezus. 4 evangeliën

2.Oude Testament

3.Vroege kerk Augustinus

2e klas

1.Koningen en profeten

2.Tussen de testamenten

3.Reformatie in Nederland Calvinisme

2e klas

1.Jodendom

2. 4 evangeliën

3. Zendingsreizen

4. Kerkstrijd 19e/20e eeuw. Kerk nu.

 

 

HAVO 4 en 5.

4e, 5 modules

1.De Bijbel: Gods Woord (module 1)

2.Kruis en Halve maan (module 2)

3. God creëert en regeert (module 3)

4. Wacht en Verwacht (module 4)

5. Evangelisch en gereformeerd (module

5e, 2modules

1.Tussen droom en daad (module 6

2. Kerken in Nederland (module 7)

 

 

VWO 4, 5 en 6

Pas op, hier zit veel eigen werk bij. Er zijn contacturen en uren zelfwerkzaamheid

­4e klas 5 perioden

­1. Hoe God zich laat kennen (module 8) (art 1-5 en 18+19 NGB)

2. Kruis en Halve maan (module 2) (islam en chr. geloof)

3. God creëert en regeert (module 3) (schepping- evolutie o.a art. 13 ngb)

4. Wacht en verwacht (module 4) (Wederkomst art. 37 ngb en Openbaring)

5 .Rome's Redding (module 9) (de Romeinenbrief)

5e klas 5 modules

1. Kerken in Nederland (module 7)

2. Charmes van Shiva (module 10) (Oosterse godsdiensten, Hind. Boedd. New Age nieuwe spiritualiteit)

3. Evangelisch en gereformeerd (module 5)

4. Tussen droom en daad (module 6) (ethiek)

4. Bijbel is geloofwaardig (module 11) (Bijbelvertaling en gezag art 5-7 ngb)

6e klas 2 modules

1. Dwaze wijsheid? (module 12) (apologetiek, twijfel)

2. Lespresentaties ethiek, apologetiek en levensbeschouwelijk gesprek

 

 xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

File1004

         terug                                                                                                                                                                                                                                                   



[1] G.Gunnink, Ga met God, Barneveld 2012.

[2] Snelle oriëntatie hierover is te vinden via J.van der Steeg ,Tussen droom en daad, 2012, blz.381 e.v. .Ook intikken op internet geeft resultaat.