4.     De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (1784)

                                                                                                  terug              

                     Plan van een genoodschap van Konsten en Wetenschappen,

                                                       Onder de zinspreuk:

               TOT NUT VAN 'T ALGEMEEN.

 Opgericht in Edam in Slagtmaand 1784.

'Elk weldenkend Nederlander, die een wezentlijk belang in den bloei en wel­stand van zijn Vaderland stelt, die overweegt, wat een Mensch, een Christen, aan zijne Natuurgenooten, aan zijn Medechristenen verschuldigd is, moet een teder medelijden over den staat des gemeenen Mans in ons Vaderland gevoelen. Onkunde in verscheide nuttige wetenschappen heeft onder velen onzer hard­werkende landgenoten plaats; velen van hen zullen mogelijk niet in staat zijn, om de eenvoudigste bewijzen voor de aanwezendheid van God en de waarheid van den Christelijken Godsdienst voor te stellen, noch hunnen pligt als mensch, als burger en als Christen te beseffen, noch kennis hebben aan andere kunsten en wetenschappen, die hen tot nuttige leden der Maatschappij, tot braave op­voeders en verzorgers hunner kinderen en huisgenooten kunnen maken. Het zij nochtans verre van ons, te denken, dat er onder de gemeene en hand­werkslieden onzes Vaderlands geene verstandige, braave en Godsdienstige Burgers en deugdsaame Christenen gevonden worden; de Ondervinding spreekt in dit geval te duidelijk, dan dat wij hieraan zouden twijfelen, daar velen onder hen ten voorbeelde en ter beschaming van zommige Rijken en Vermogenden verstrekken. Het is ons niet onwaarschijnlijk voorgekomen, dat deeze onkunde en daaruit veeltijds voortvloeijende zedenloosheid onder den Gemenen Man, en dus onder zeer nuttige leden onzer Maatschappije, dikwerf meer uit onver­mogen, dan uit kwaadwilligheid kan voortkomen.

Dit bewoog eenigen, om met ernst een middel uit te denken, door hetwelke, (gepaard met den zegen des Allerhoogsten, en de ondersteuning onzer braave en edelmoedige landgenooten) deeze onkunde en zedenloosheid of ten deele zou kunnen weggenomen, of ten minsten verbeterd, en kennis en deugd aan­gekweekt worden.

 

De doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuyzen (1724-1806) richtte zich als één der eersten op de opvoeding van het volk. En vooral op de “lagere volksklassen”.

Hij en anderen (o.a. zijn zoon en medeoprichter Martinus) waren begaan met het lot van de gewone man: zij zagen de onwetendheid en ellende waarin velen leefden.

 Noordam, Historische pedagogiek van Nederland, 80 concludeert bijvoorbeeld dat het analfabetisme in het eerste kwart van de 19e eeuw groter was dan in de Middeleeuwen en de 17e en 18e eeuw. Dit op basis van regeringsinschattingen indertijd: de overheid schatte in 1925 het aantal kinderen dan geen enkele vorm van onderwijs genoot op 6,5 % Brugmans, in “De arbeidende klasse in Nederland in de 19eeeuw” vermeldt o.a  dat “….een in 1860 door de Groningse Vereniging tegen het pauperisme ingestelde commissie berekende dat ca 52.000 kinderen tussen 6 en 12 jaar van onderwijs verstoken bleef, dat is 11 % van het totale aantal kinderen in die leeftijdsgroep.”(172)

 De patriot Johannes Henricus Swildens (1745-1809) had achter de schermen grote invloed op de gedachten ontwikkeling der Maatschappij. Hij was een bereisd en geleerd man. Hij had zich o.a. in Duitsland en Rusland georiënteerd. Zijn denkbeelden zijn bij Het Nut terug te vinden, zoals:

- algemeen volksonderwijs in een algemene school - voor een ieder toegankelijk en op de duur verplicht - opleiding tot democratie en stemrecht voor iedereen, ongeacht levensovertuiging.

Op tal van terreinen heeft de Maatschappij grote invloed ten goede gehad.

Spaarbanken werden opgericht, maatschappelijke zorg werd aangepakt, verzekeringsactiviteiten zijn opgestart, bibliotheken opgericht, er verschenen handboeken voor gezondheid, seksualiteit, een Zondagsboek voor Christelijke huisgezinnen (1835), in 1815 een Militair Handboek, enz. Vooral de voortdurende en grootscheepse zorg voor het onderwijs valt op.

 

De opstart van de Maatschappij verliep niet soepel: men verhuisde al snel van Edam naar Amsterdam. Edam was prinsgezind: de oprichters der Maatschappij behoorden voor een deel tot de patriotten.

   “Zo werd uit de enig eigenlijk toegelaten kerk de beschuldiging verspreid dat de Maatschappij stukken uitgaf die niet van zuivere rechtzinnigheid in de leer getuigden en zelfs dat zij vervalsingen van de Heidelbergse Catechismus waren. Hoofdbestuur en departementen slaagden er echter in zich te houden aan de stelregel om zich niet met politiek en kerk in te laten en de volksontwikkeling boven de partijen te stellen.”

W. W. Mijnhardt e.a.: Om het algemeen Volksgeluk. Gedenkboek 200 jaar  Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen 1784- 1984, 15.

De mannen van het Nut waren “gewoon christelijk”. Zij zochten een christendom boven geloofsverdeeldheid. Hun “drive” was naastenliefde en liefde tot God, het Opperwezen, de Deugdzaamheid zelve. Ook in geloofszaken moest je de moed hebben, je van je eigen verstand te bedienen. Dat betekende een “modernisering” van de godsdienst, en de ontmythologisering van een aantal dogma’s. In Nederland gebeurde dat meestal niet op de wijze van het Deïsme, dat God naast/ voor de Schepping zette, maar in een vorm van Theïsme: men bleef veelal geloven in een zekere Godsregering.

      “ Niet eerder was de samenleving  op zo’n grote schaal bestookt met goede raad; niet eerder was er een nationale organisatie geweest, die zich daarmee belastte. Een organisatie die zo echt Nederlands was dat er in het buitenland geen equivalenten van te vinden waren” B.Kruithof, Zonde en deugd in domineesland, 93

 

 

Het Nut en het Nederlandse onderwijs.

 

  “Dan voelt ieder, dat den volke een weldaad is geschied. Eerst sedert dien tijd is het onderwijs onderwijs geworden”.

A. Kuyper in 1869; Kuyper was overigens een overtuigd tegenstander van de filosofie van het Nut. Geciteerd via Om het algemeen volksgeluk , 16.

 

Reeds voor de val van de Republiek (1795) slaagde het Nut er in, een respectabele bibliotheek te laten verschijnen: vele boekjes en boeken ter verheffing van het volk en voor de didactiek van lezen, spellen. “Het kunstmatig lezen”, “Vaderlandsche deugden”;Nederduitsche spraakkunst”, e.d. Er waren wel oplagen van 5000 tot wel 6000 per titel. Ze werden goedkoop verkocht of door leden der Maatschappij gratis verspreid.

Martinus Nieuwenhuyzen maakte een heel schema voor een serie leerboeken voor het gehele lager onderwijs in drie trappen: voorbereidende kundigheden; godsdienstige en burgerlijke plichten (Groen van Prinsterer signaleerde Het eerste leesboek over het bestaan van God (Handboek enz, 1928, blz. 573) ; nationale burgerlijke kundigheden (o.a. aardrijkskunde en geschiedenis). Het Nut boorde know-how aan via “prijsvragen” waarbij dan de beste inzendingen gebruikt werden. De prijsvragen werden dus niet willekeurig opgezet: het systeem Martinus was nog lange tijd terug te vinden.

Er werden eigen scholen opgericht, al voor de Franse tijd.

 

Het Nut en de wetgeving

 

Schoolhouden was tot dan toe iets dat je aanleerde als een handwerk, louter in de praktijk. Duidelijk was dat er hogere eisen moesten worden gesteld aan de belangrijk geachte maatschappelijke functie: het dragen van opvoeding en vorming.

Het Nut riep om echte opleidingen. Men keek naar Duitsland. Men kende bij onze oosterburen in de tweede helft van de 18e eeuw twee soorten opleidingen. Het ene type ontstond uit de onmiddellijke behoefte aan leerkrachten voor gewone volksscholen. Kwekelingen waren jongeren die zelf net van school kwamen. Ze konden meteen ingeschakeld worden en kregen enkele uren per week theorie. Voorts waren er seminaries van de “wetenschappelijke richting”. Hier was nauwelijks verbinding met de onderwijspraktijk.

“Onderwijzer werden juist zij die de klassieke studies niet tot het einde toe konden volgen”

De Vroede, Duitse seminaries en Nederlandse kweekscholen eind 18e- begin 19e eeuw,1969, blz. 351

De seminaries konden niet meer dan een halfwetenschappelijke opleiding geven.

 

Het Nut heeft de stichting van onderwijzersopleidingen zelf ter hand genomen. In 1796 werden twee kweekscholen opgericht (Haarlem en Amsterdam). Hier werd alleen theoretisch onderricht gegeven.

De Haarlemse opleiding werd in 1801 omgezet in een “leer- en kweekschool”. Dat wil zeggen dat een lagere school als “modelschool”, “vernieuwingsschool” leerlingen met aanleg en neiging tot het beroep bij het lesgeven betrok. Van de onderwijzer kregen ze aanvullende theorielessen. Zo kon men “ondermeester” worden en zich onder toezicht van het schoolhoofd vervolmaken.

Op meerdere plaatsen, ook soms buiten het Nut om, ontstonden soortgelijke opleidingen.

 

De rol van de overheid in de “Franse” tijd.

 

De overheid hield zich in deze zaken op de vlakte. In 1800 diende J.H. van der Palm

 Van der Palm diende de overheid over een langere periode, ook tijdens het Koninkrijk der Nederlanden. Hij was hoogleraar in de oosterse talen, en beroemd kanselredenaar.

een memorie in bij het Uitvoerend Bewind van de  “Bataafse Republiek” met een plan voor een rijksinstelling zonder kostschoolkarakter: de levenswijze op (Duitse) seminaria was volgens van der Palm

“de moeder van stijfheid, verwaandheid, heerszucht en onbevallige zeden” De Vroede,  357

Dit voorstel, opgenomen in de eerste onderwijswet van 1801, werd niet uitgevoerd. De overheid beperkte zich tot het aanmoedigen van particulier initiatief.

Van den Ende (Agent der Nationale Opvoeding) schreef de houding van de overheid toe aan de tijdsomstandigheden, de onstabiliteit van de regeringen en het gebrek aan geld. Idenburg, Schets van het Nederlandse schoolwezen, Groningen 1960,78  De omstandigheden werden na 1810 duidelijk nog ongunstiger: in het kielzog hiervan ging het ook met het lager onderwijs bergafwaarts.

 

15 juni 1801: eerste Schoolwet.

 

Het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek vaardigde in 1801 de eerste schoolwet van ons land uit.

“Overtuigd van de voordeelen, die het collectief of klassikaal onderwijs oplevert, werden in de schoolwet van 1801 bepalingen gemaakt ter invoering van een klassikale verdeeling en klassikaal onderwijs in den tegenwoordigen zin” J. Geluk, Woordenboek voor opvoeding en onderwijs,1882

Voor het eerst werden er eisen van bekwaamheid gesteld aan het uitoefenen van het beroep van schoolmeester. Er moest voortaan examen gedaan worden. Dat bestond uit:

 lezen; een opstel met spelfouten corrigeren; een zin redekundig ontleden; schrijven; rekenen; didactiek en pedagogiek.

Daarnaast moest men een getuigenis van goed gedrag hebben ensympathiseren met de gevestigde regeringsvorm. Via een acte van burgerschap werden Oranjeklanten buiten de deur gehouden.

Wanneer “de Penningen toereikende zullen zijn”, dan zou er één instituut opgericht worden waar alle kundigheden nodig voor een “schoolonderwijzer”, verzameld kunnen worden. Geld was er niet, dus…

 

De Schoolwet van 1806

 

   “Tenslotte kwam onder het eenhoofdig bewind van raadspensionaris R.J. Schimmelpenninck de definitieve wet van 1806 tot stand. Deze volgde weliswaar niet geheel, maar toch in vele hoofdopzichten, het Nutsrapport. Maar zo tevreden was men er in Nutskring mee, dat men deze wet in de eerste helft van de 19e eeuw herhaaldelijk noemde een “heerlijk gedenkstuk”, of nog mooier; “het laatste geschenk van de republiek aan de wereld’. Mijnhardt, 21

Deze wet is vooral het werk van Adriaan van den Ende (1766-1846). Het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat, vindt haar uitwerking ook op onderwijsgebied.

         “De geestelijke leiding van het onderwijs moest thans wel aan de kerk ontvallen. Welk een diepgaande verandering dan in korte tijd haar beslag krijgt, ontwaren wij bij de raadpleging van de nieuwe omschrijving van het doel van het onderwijs ( ): “Alle schoolonderwijs zal zodanig worden ingericht, dat onder het aanleren van gepaste en nuttige kundigheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld, en zij zelven opgeleid worden tot alle maatschappelijke en Christelijke deugden”. Idenburg, 79

Stilma (L.Stilma, De school met den Bijbel,41 e.v.) geeft een uitleg van schoolopziener Visser weer uit 1810 over de maatschappelijke en christelijke deugden, de terminologie die de gemoederen nog bezig zal houden.

 

 Maatschappelijke deugden zijn plichtsbetrachtingen in alle maatschappelijke bestanden en in de verschillende standen. Onderwerping, gehoorzaamheid, liefde, achting, vertrouwen voor en ten aanzien van een ieder die over je gesteld is. Dankbaarheid, welwillendheid, hulpvaardigheid en bescheidenheid, eerlijkheid, inzet voor het algemeen belang, zuivere vaderlandsliefde, gehoorzaamheid aan en vertrouwen in de Overheid.

De overheid wil ook christelijke deugd bevorderd zien. Godsdienst is namelijk de steun en stut van de Staat. De leer van de Beste Leraar in haar uitgestrektheid zou een ieder ingeprent moeten zijn. Als er eenheid onder christenen bestond, zou er op school meer aan gedaan kunnen worden. Maar er heersen teveel verschillen onder Christenen. Dus alleen onderwijs in algemeen aanvaarde Godsdienstwaarheden. Zoals de hoofdwet des christendoms: behandel een ander zoals je zelf behandeld wilt worden.

Christelijke deugd is verdergaand en meer verdiept dan maatschappelijke deugd. Te weten dat je toekomstig leven hierna voortvloeit uit een deugdzaam leven alhier. Heb een onpartijdig oordeel over ander.

 Christelijke deugden worden door de belijders van Jezus in een uitgebreidere zin beoefend dan maatschappelijk strikt nodig is. Dat is christelijke deugd die de Overheid graag ziet.

 

De maatschappelijke deugden staan voorop, veredeld a.h.w. door de algemene waarheden van het christendom, vooral uit zedelijk oogpunt.

De school is overheidsschool geworden, met een algemeen karakter, maar (zeker niet) godsdienstloos.

 

Openbaar en bijzonder onderwijs

 

In de wet van 1806 verschenen de begrippen; “openbaar en bijzonder”” In de 18e eeuw was het begrip “openbaar” tegengesteld aan “huisonderwijs”. Nu, in deze wet had “openbaar” de betekenis van scholen, betaald uit een publieke kas. Of dat nu overheidsgeld of kerkelijk geld was: uit een publieke kas.

Bijzondere scholen waren er in twee soorten:

  1. die uitgingen van niet gesubsidieerde instellingen, bv. vanuit de Mij tot Nut van ’t Algemeen.
  2. De twee soort omvatte particuliere scholen, bekostigd uit schoolgelden en kostgelden.

Idenburg vermeldt dat er in 1811 1775 openbare scholen waren. Er waren 288 scholen bijzonder, van klasse1. En 581 van klasse 2. Voorts nog 134 joodse bijzondere scholen.

Er lijkt dus een redelijke vrijheidsmarge te bestaan.

Maar, aldus Idenburg,

      “Wanneer de maker van de wet Adriaan van den Ende ( 1768 – 1836) verklaart dat het hoofdbeginsel van de wet is dat het lager onderwijs” uitsluitend een zaak van de Hoogste Macht ( is) en door deze alleen moet worden geleid en geregeld”(missive van 11 februari 1826) dan wijst dit stellig in centralistisch- autocratische richting”.Idenburg, 29

 

 

Vooral art. 12 van de wet “geen lagere school ergens, onder welke naam ook mag bestaan of opgericht worden zonder uitdrukkelijke vergunning van het gewestelijk, landschaps- of gemeentebestuur na vooraf gevraagde inlichtingen en bedenkingen van de schoolopziener van het district of de plaatselijke schoolcommissie.) is in de loop van de tijd een schuursteen geworden: maar het betekende nog niet dat er alleen maar staatsonderwijs was.

 

De aangestelde opzieners kregen veel macht. Niets gebeurde zonder hun goedkeuring. Onderwijzersexamens, benoemingen, boekenlijsten, niets ging buiten hen om. Ook de bijzondere scholen 1e klasse moesten toestemming vragen om af te wijken van de boekenlijst. Zelfs de tweede klasse moest het melden als ze boeken gebruikten die niet op de officiële lijst stonden.

De schooltijden moesten begonnen en gesloten worden hetzij dagelijks, hetzij wekelijks, met een gepast Christelijk gebed.

 

Er zij drie klassen, die telkens apart onderwijzen worden, binnen elke schooltijd. Leerlingen van dezelfde klasse worden steeds gezamenlijk onderwezen.

Er wordt zoveel mogelijk van een Bord gebruik gemaakt.

Wordt het getal van 70 leerlingen bereikt, dan zal men er op bedacht zijn, een Ondermeester of Tweede Meester aan te nemen.

 

Aan de eisen voor onderwijzers waren de “gronden der Nederduitse Taal” in 1803 al toegevoegd.

 Nieuw is de verdeling in rangen. 

De vierde en laagste rang verkreeg je als je tamelijk bedreven was in lezen, schrijven en rekenen.

De derde rang had als extra vereiste: - “wel ervaren zijn” in de drie genoemde vakken - enige kennis van de beginselen der Nederlandse taal - enig begrip van een goede manier van onderwijzen.

De tweede rang vereiste: - zeer goed kunnen lezen - een goede hand van schrijven - goede kennis van theoretisch en praktisch rekenen - regels der Nederlandse Taal kennen - enig begrip hebben van Aardrijkskunde en Geschiedenis - geschikt en bekwaam zijn om oordeelkundig onderwijs te geven

De eerste rang vroeg daarbovenop - kennis van natuur- en wiskunde - uitmunten in verstand en bekwaamheid.

Ook hier geen overheidsinitiatief inzake de opleiding van onderwijzers.

 

Idenburg Idenburg, 31 is van mening dat de wet van 1806 twee kanten heeft. In de eerste plaats is de wet van grote betekenis geweest voor Nederland. Het in 1815 ontstane koninkrijk kreeg een onderwijsopbouw die voorheen voor zowel de heersende Kerk als de Republiek niet haalbaar was.

Nationaal, stelselmatig, vernieuwend.

Aan de andere kant een bron van ellende: zowel de problemen met het Belgische deel alsmede de tachtigjarige strijd om de school vinden hier hun oorsprong.

 

Ingelijfd bij Frankrijk

 

De inlijving van het Koninkrijk Holland bij het napoleontische Frankrijk in 1810 bracht de onderwijszaken onder controle van de “Keizerlijke Universiteit”.

In Frankrijk bestonden ter opleiding van leerkrachten voor het lager onderwijs binnen colleges en lycea zogenaamde “classes normales”. Twee Franse controleurs bekeken het onderwijs in Nederland. Over de opleiding tot onderwijzer waren ze tevreden: ze hadden vooral het oog op de leer- en kweekscholen van het Nut.

Ze constateerden dat hier geen “normale klassen” nodig waren: dat was nog goedkoop ook.

Het begrip “normaallessen” of “normaalschool” voor een type opleiding tot onderwijzer vindt hier z’n wat merkwaardige oorsprong. In het woord normaal zit de betekenis van norm, voorbeeld. Deze scholen moesten de norm zijn. “Normaalscholen”.

terug