8. Korte schets van de Afscheiding van 1834

 terug

‘Hetgeen mij bij dit al geruststelt, is dat die vergaderingen …. uit de heffe der bevolking bestaan, waarbij zich geen fatsoenlijke menschen laten zien.”

   J.van der Steeg e.a. De Bruid aan de Eem, grepen uit de Amersfoortse kerkgeschiedenis, Amersfoort 1985

 

Zo schrijft op 8 juli 1836 de door de overheid aangestelde geheime speurder in Utrecht over bijeenkomsten in Amersfoort aan de minister.

De “heffe des volks” kwam in beweging tegen de geest der eeuw. Gewone mensen, boeren en arbeiders, kleine neringdoenden. Overal in het land, en vaak ten plattelande.

Een aantal predikanten brak in 1834 en de jaren daarna met de Nederlands Hervormde Kerk. Dat gebeurde niet “licht”, maar was het gevolg van een keten van gebeurtenissen. Vanuit Ulrum verspreidde de Afscheiding zich vrij snel.

 

Hendrik de Cock (1801-1842)

 

De jongste biografie van De Cock is die van Harm Veldman, Hendrik de Cock (1801-1842) op de breuklijnen in theologie en kerk in Nederland, (Diss.) Kampen 2009. Hier zijn diverse gegevens aan ontleend.

 

In 1829 had Hendrik de Cock het pastorale werk in de gemeente van Ulrum overgenomen van zijn vriend P. Hofstede de Groot. Deze werd hoogleraar in de theologie in Groningen, en één van de belangrijkste ontwikkelaars van de “Groninger richting”, die stelling nam tegen dorheid en rationalisme in de prediking. Men probeerde het supranaturalisme te combineren met vroomheid en aanraking van het gemoed. Tevens werd hij schoolopziener.

Beide mannen kwamen uit een regentengeslacht, hadden samen gestudeerd in Groningen, en waren. Zoals vrijwel alle predikanten, opgeleid in het “gebruikelijke” supranaturalisme. En de deugdzaamheid.

De Cock had, ondanks het standsverschil, goede aansluiting met zijn gemeenteleden. Maar gemeente en predikant hadden niet dezelfde “ligging”. Een deel van de gemeente kwam niet naar de zondagse prediking. Velen hielden in de week eigen bijeenkomsten in een zogenaamd ‘gezelschap”of “conventikel”.

 

Conventikels

Conventikels waren in de 18e eeuw al opgekomen, deels uit opwekkingsbewegingen die Europa en Amerika aanraakten, deels uit onvrede met de prediking van vele voorgangers. De gezelschappen bestonden meestal uit eenvoudige mensen, de “kleine luyden”. Men besprak een Bijbelgedeelte, bad, zong een psalm. De aandacht werd meermalen afgeleid van Gods beloften naar de doorgemaakte bekeringsweg. Er ontstond meermalen een cultuur waarbij die bekeringsweg aantoonbaar moest zijn verlopen, via ellende naar verlossing, met vaak als eis een bewijsbaar bekeringsmoment. “Keurmeesters”, al bekeerden, waren dan de aangewezen personen om de echtheid na te gaan.

Deze gang van zaken leidde tot ongerustheid bij classes en (provinciale) synodes.

Er was weinig tegen te doen behalve waarschuwen: men zocht toch wel elders wat de staatskerk niet meer bood.

   “Naar het woord van De Vrijer was het aan deze lastige mensen te danken, dat de leer der kerk in de 18e eeuw bewaard bleef.[1]

      

 De Cock, ‘Gereformeerd leeraar’

 

Via gesprekken met kerkenraadsleden en gemeenteleden kwam de Cock met een geloofswereld in aanraking die hij niet kende.

De Cock werd aan het denken gezet. Hij schoof uiteindelijk geheel op in Gereformeerde richting. Hij noemde zich daarna altijd: “Gereformeerd leeraar”.

Het gevolg was dat er tijdens de zondagse prediking steeds meer mensen van heide en ver naar Ulrum kwamen. Er werd De Cock zelfs gevraagd, om kinderen uit andere gemeenten te dopen, omdat de ouders vaak gewetensbezwaar hadden om op de doopsvraag instemmend te antwoorden. Zij konden niet instemmen om op te voeden in de christelijke leer die alhier geleerd wordt. 

Zijn roep verspreidde zich snel. Bij zijn collega’s ondervond hij weinig waardering, meer tegenwerking. Hofstede de Groot reageerde geschrokken.

De Cock zette zich nu actief in voor de Gereformeerde leer. Hij gaf de Dordtse leerregels opnieuw uit (en zond ze zelfs op naar Koning Willem I), evenals werken van Calvijn.

Tevens schreef hij een voorrede in een boekje tegen de Gezangen. De Cock’s voorrede was net zo fel als de brochure (wat trouwens tamelijk gebruikelijk was in die tijd): de 192 “Sirenische minneliederen’.

 Ook schreef hij een boekje tegen twee collega’s uit de classis, die een brochure tegen hem hadden uitgegeven. Scherp van toon. De Cock antwoordt ook scherp.

De Cock wordt voor drie maanden geschorst, omdat hij onbehoorlijk gedrag heeft vertoond.

De kerkenraad onderneemt stappen om de schorsing ongedaan te maken: maar dat loopt op niets uit: de schorsing wordt verlengd tot twee jaar. Met inhouding van het traktement. Opheffing kan pas volgen als De Cock zich schikt naar het Kerkbestuur

De Cock blijft zijn recht zoeken. Hij reist er zelfs voor naar Den Haag, naar de koning. De Cock verwacht daar veel van. Heeft het huis van Oranje niet vaker de ware leer verdedigd? Is de koning niet een vader des volks en van de kerk?

De Cock wordt bitter teleurgesteld. “Zijne Majesteit zogt mij te verbijsteren”.

Uiteindelijk volgt zijn afzetting. Maar voor dat besluit formeel genomen werd, kwam het tot een breuk met het kerkbestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk.

 

Afscheiding, 14 oktober 1834.

 

Er is niet gestreefd naar Afscheiding: het is er van gekomen. De Cock, zijn kerkenraad en de gemeente hebben uiteindelijk het gevoel en de zekerheid dat er niets anders op zit.

Pogingen om eigen kerkdiensten te houden worden gefrustreerd.

In de loop van de week marcheren 150 kurassiers Ulrum binnen. De “lastigste” mensen krijgen inkwartiering. De Cock krijgt er 12 in huis. De officier geeft de Cock, die een samenkomst thuis wil houden, kamerarrest.

Overheid, justitie en kerkbestuur slaan de handen ineen om deze inbreuk op de vaderlandse kerk de kop in te drukken. De Cock verdwijnt drie maanden in het gevang.

Maar de Afscheiding verspreidt zich als een veenbrand.

Er sluiten zich enkele jonge predikanten bij hem aan. De predikanten Van Velzen Brummelkamp worden in de loop van de tijd opiniemakers innen de Afgescheiden kerken. Brummelkamp wordt een woordvoeder op onderwijsterrein.

 

De Rek typeert Hendrik de Cock aldus:

    “De geschriften van Hendrik de Cock kunnen wij niet meer bewonderen. Maar des te meer zijn radicale moed. De moed waarmee hij de geest des tijds aangreep in zijn waan, zijn platvloerse menskunde, zijn boosaardige of gemoedelijke verdraaiing van het Ene Gebeuren. En de heilige aandrift, zonder enige kerkpolitieke berekening waarmee hij alle menselijke religie en alle menselijke moraal terzij geschoven heeft. Voor het heilig evangelie alleen.” Koningen, kabinetten en klompenvolk I, 359

 

Vervolging

 

De Afgescheidenen hadden de wind niet mee. De publieke opinie keerde zich tegen hen. Regering, justitie en kerkbestuur maakten één front tegen hen. Hoewel er plaatselijke en provinciale bestuurders waren die hier niet volledig in mee gingen. Men revitaliseerde een wetsartikel uit de Franse tijd, waarin het verboden was, samenkomsten te houden van meer dan twintig personen. Waar Afgescheidenen men met meer personen vergaderden, werd ingegrepen. Hoge boetes werden opgelegd aan degenen die hun huis of bedrijf openstelden, gevangenis straf volgde als men niet betalen kon, en bezittingen werden bij opbod verkocht.

Pas Koning Willem II maakte bij zijn intrede direct een einde hieraan.

De Afgescheidenen werden door vrijwel iedereen beschouwd als bijna- landverraders: zij durfden de nationale identiteit aan te tasten, zo gevoelde men het.(zie blz. 20).

J.H. van der Palm zegt over die nationale identiteit:

      “Ongelukkig hij dan, die de eendragt zou willen, zou durven verstoren! Voor wie de wensch en het voorbeeld van zijnen Vorst even min heilig zouden zijn als geweten, Godsdienst en burgertrouw! Die het eerst het zaad der partijschap zou willen waaijen, wie hij moge zijn, op hem kome de vloek der natie! Achter welk voorwendsel hij schuile, onder welk masker hij zich vermomme, die ons den schat ontrooven wil, voor zoo veel goud en bloed verworden; die de enige zuil van ons volksgeluk wil omverwerpen of ondermijnen, wie hij moge zijn, op hem kome of ruste de vloek der natie!”.[2]

  

De Afscheiding heeft wel onmiddellijke gevolgen voor het onderwijs in Nederland: hier liggen de wortels van de vrije christelijke school.

 terug

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Praamsma, 161

[2] Veldman, 137