11. Voorlopige balans tot ca 1857

 terug

Op geestelijk- godsdienstig terrein is het Supranaturalisme tot in brede lagen van de bevolking doorgedrongen. Men is vroom, deugdzaam, vaderlandslievend. De Schrift staat in hoog aanzien. Maar de geloofsinhoud wordt wel afgemeten aan de Rede. God, Deugd en Onsterfelijkheid zijn de belangrijkste geloofsinhouden. Daarbij is Jezus het grote voorbeeld in Gods opvoeding tot deugd en de leiding der vooruitgang. Plaatsvervanging, uitverkiezing genade alleen worden steeds meer gezien als achterhaalde leerstukken uit onverlichte tijden.

 

Op onderwijsterrein heeft de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen het voortouw genomen in een sterke verbetering van het onderwijs, daarbij geleid door onderwijsvernieuwers als de Filantropijnen, Pestalozzi e.d.

 

Bij de onderwijswetten van 1806 en 1806 neemt de overheid het onderwijs rechtstreeks onder haar hoede, en de inrichting is gericht op maatschappelijke en christelijke deugden, aan de hand van een christendom boven geloofsverdeeldheid.

Het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden vindt hierin z’n identiteit.

 

De Hervormde Kerk wordt, ondanks de ontkoppeling van staat en kerk, toch de “vaderlandse kerk” met een nieuwe bestuursstructuur, en met een duidelijke opening naar leervrijheid.

 

Tegen deze geest der eeuw komen mensen in verschillende lagen der bevolking in het geweer.

Het Reveil roept op tot echte vroomheid, gegrond op Gods genade door het offer van Christus. Het Reveil wordt op diverse fronten actief. Meestal blijven de Reveilmensen in de Nederlands Hervormde Kerk.

 

Een scherp protest tegen verlating van de gereformeerde paden in het nieuwe godsdienstige bestel komt van enkele predikanten. Zij zijn de woordvoerders van andere lagen der maatschappij: de kleine luyden. De gewone man, die in diverse streken van het land op eigen initiatief bijeenkwam, omdat men het oude geloof in de officiële kerk niet of te weinig hoorde.

 

Dit leidt tot de Afscheiding van 1834, met vele gevolgen voor de deelnemers: aristocratie, bestuurders en bijkans de gehele bevolking keerde zich tegen hen: het werd ervaren als aantasting van de volksidentiteit.

 

Conclusies t.a.v. de  methodiek kunnen op enkele punten reeds geformuleerd worden.

Hierbij kan het Doopformulier met daarin de doopbelofte (“zult gij dit kind naar vermogen onderwijzen en laten onderwijzen in de Voorzeide leer”) als belangrijkste insteek genoemd worden.

Ph.J. Idenburg trekt met betrekking tot dat formulier als conclusie:

”Deze belofte stempelt het Formulier om den heiligen doop aan de kinderen te bedienen tot één van de gewichtigste en invloedrijkste pedagogische documenten van Nederlandse bodem. In onze cultuur is hiermede een gedachte van blijvende waarde ingedragen. Met al het gewicht, dat ligt in een uitspraak der kerk, wordt hier gewezen op de taak en de verantwoordelijkheid der ouders. Zij zijn, naar bijbels beginsel, de eerste en voornaamste opvoeders van het kind. Op hen rust op dit stuk een heilige, onvervreemdbare plicht.”[1]

De opvatting van de mens die door zijn deugdzaamheid tot God kan komen wordt afgewezen met een beroep op het Bijbelse mensbeeld van de mens die naar Gods Beeld is geschapen, maar die door de zondeval zonder Christus reddeloos is verloren

Kinderen zijn opgenomen in het Verbond, en behoren opgevoed te worden in de vreze des Heren. De ouders zijn de opvoeders: zij hebben hun kinderen en de opvoedingsopdracht van God ontvangen. Enig begrip van het kind- eigene heeft nooit ontbroken

De school is een verlengstuk van de opvoeding door de ouders, en dient dezelfde geest te hebben als de thuisopvoeding. De staatsschool wordt afgewezen: de school dient vrij te zijn. Op grond van de doopbelofte kan men kinderen niet meer aan de staatsscholen toevertrouwen.

 Kerkenraden nemen op meerdere plaatsen het initiatief. Men wil een zeer nauwe band tussen kerk, school en de gezinsopvoeding. Dit vanwege de als een eed beschouwde beantwoording van de doopvraag: “of gij niet belooft en u voorneemt, dit kind, als het tot zijn verstand zal gekomen zijn, in de voorzeide leer naar uw vermogen te onderwijzen en te doen onderwijzen”[2]. Onderwijsdoelen

De hoofddoelstellingen zijn gericht op kennis tot zaligheid en niet op kennis tot deugd

Hoewel er nog niet echt iets op gang komt, spreken Afgescheiden synodes al wel over het grote belang van onderwijsopleiding.

 

 

      Hendriks[3] benoemt een minoriteit als een marginale subgroep die geen machtspositie bezit en gediscrimineerd wordt.

Hij concludeert dat in de eerste helft van de 19e eeuw en eigenlijk tot ca 1870 de “ kleine luyden” die een plurale minoriteit vormen, uit zijn op instandhouding van de eigen cultuur die zij bedreigt achten door ontwikkelingen in kerk en samenleving. Een deel wanhoopt aan de mogelijkheid van vrijheid en ruimte, en ontwikkelt zich tot een afscheidingsminoriteit. Bij de pogingen om vrijheid te verkrijgen bedienen ze zich meestal van verzoekschrift en protest. Hendriks onderscheidt in emancipatieprocessen enkele fasen. Hij benoemt deze fase in de emancipatie van Gereformeerden (te vinden in diverse denominaties) nog als niet fase 1, die van agitatie en organisatie: er is sprake van een voorfase.[4]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Idenburg, Schets van het Nederlandse schoolwezen, 1960

[2] Versie Gereformeerde Kerken in Nederland 1986

[3] J.  Hendriks, De emancipatie van de Gereformeerden, 33

[4] Hendriks, 206