10. Verdere initiatieven inzake vrij onderwijs.

 terug

Bekender dan de Drentse pogingen is de oprichting van een viertal scholen vanuit Afgescheiden kring in andere delen van het land. Stilma en Rosendaal (Rosendaal, Naar een school voor de gereformeerde gezindte Hilversum 2006, 17 e.v.)  doen daar verslag van.

 Behalve de motieven vanuit de geloofsovertuiging zal er ook een extra prikkel zijn uitgegaan van het Koninklijk besluit van 2 januari 1842. Via dit besluit kregen de geestelijkheid van diverse kerkgenootschappen het recht om bepaalde schoolboeken af te keuren. In Noord-Nederland werd over het algemeen de school bemand door Hervormde onderwijzers van diverse ligging, in het Zuiden meest door Rooms-katholiek  personeel. Maar nu kon ook een rabbijn bezwaar aantekenen tegen het gebruik van het Nieuwe Testament, en een R.K geestelijke tegen het gehele Bijbelgebruik op school.

“Het K.B. van 2 januari zou de ontkoppeling tussen burgerlijk en godsdienstig onderwijs doen versnellen. Dit K.B. zou leiden, aldus Van der Brugghen aan Groen, tot beginselloosheid  Stilma, 53

 

 

 

 

 

Met de oprichting van Nijkerkerveen en de Spinhuissteeg valt waar te nemen dat ook in Hervormde kringen en via het Reveil forse pogingen gedaan werden om tot christelijk onderwijs te komen.

Hierbij valt te denken aan onderzoek dat dr. De Vree heeft verricht en waarvan hij op een symposium[4] te Kampen ter gelegenheid van 150 jaar Afscheiding verslag deed. Hij wijst op de positieve invloed die de Afgescheidenen hadden op het geestelijk leven van Hervormden in de provincie Groningen: in 1851 stichtten Hervormden een christelijke school, hierin eigenlijk “uitgedaagd” door de Afgescheiden. Hofstede de Groot probeerde als schoolopziener de maatschappelijke en christelijke deugde der wet zo positief mogelijk te duiden. 160 leden van de Hervormde Kerk kwamen met een petitie waarin ze opmerkten dat de Catechismus eerder mishandeld dan behandeld werd, in de prediking. Ze wilden gezonde prediking, zodat men niet hoefde te vluchten naar de afgescheidenen.

 

Er lijkt een begin van het latere tweestromenland in het christelijk onderwijs te ontstaan: scholen vanuit de gereformeerde opvatting en scholen vanuit een duidelijk christelijk beginsel, maar zonder de gereformeerde belijning.

 

Tussen 1848 en 1857

 

De Grondwet van 1848 is een fundamenteel gebeuren voor het Koninkrijk. Het begin van de parlementaire democratie, omschreven met rechten en plichten van onderdaan, regering en koning.

Het geven van onderwijs is vrij.

Maar het duurt nog tot de schoolwet van 1857 voordat er echt meer duidelijkheid komt over de uiteindelijke regelingen.

In de tijd tussen 1848 en 1857 groeit het aantal christelijke scholen van 4 (op dat moment officieel geautoriseerde) naar 48. Allemaal op eigen kosten, mogelijk gemaakt door schoolgelden, giften en “sponsors” uit meer aristocratische kring.

De synode van de Afgescheidenen in 1849 te Amsterdam krijgt uit de kerken vele vragen “ter bekoming van behoorlijk ingerigte Schoolen”. De synode vindt dat oprichting van scholen niet tot haar taak behoort, maar dat wel de plaatselijke kerken geroepen zijn tot actie. De synode houdt zich wel bezig met de vraag naar de opleiding van schoolmeesters:  “Dit mag niet aan andere Genootschappen of bijzondere personen overgelaten worden”. De synode heeft ook besloten tot de oprichting van een opleidingsinstituut voor predikanten (pas gerealiseerd in 1854). Het “wordt aanbevolen dat de Hoofdonderwijzers van de Kerk” de opleiding van aanstaande schoolmeesters zullen bezorgen. Van dit voornemen zijn geen sporen terug te vinden. Bouma tekent hierbij aan dat men van de in maart 1846 opgerichte kweekschool op de Klokkenberg (Nijmegen) dus geen gebruik wilde maken.  Bouma, 88

 

Jan Ligthart, schoolgegaan bij de Afgescheidenen.

 

Hoe het in de praktijk toeging op zo’n Afgescheiden school kunnen we horen van een leerling, die later een vooraanstaand onderwijsvernieuwer werd. Jan Ligthart (1859-1916) werd in een doopsgezind gezin geboren. Hij moet eerst zijn schoolgegaan naar de school van Wormser (die van gebouw veranderd was). Meester Kuiper maakte wel indruk, maar de meester waarbij hij in de groep zat was een pedagogisch wangedrocht. Jan werd, vermoedelijk omdat zijn ouders het schoolgeld niet konden opbrengen, naar de Bloemgracht gestuurd. Hij noteert in zijn Jeugdherinneringen dat er naar de geest van die tijd wel eens wat oneigenlijk tucht uitgeoefend werd, maar eigenlijk heeft hij alleen lovende woorden voor de sfeer, de pedagogische en godsdienstige kleur. Wel een ander oordeel dan Wormser: die schreef in1845 aan Groen: “De Diaconieschool der afgescheidenen te Amsterdam ( ) is, geloof ik, ten aanzien van onderwijs en losbandigheid der scholieren, de slechtste van Amsterdam”. Jan moet ongeveer in 1870 naar de Bloemstraat zijn gegaan: er zit dus wel 15 jaar tussen.

“Elke schooltijd begon natuurlijk met gebed, en psalmgezang. Daarna volgde ’s voormiddags een vol uur “Bijbelsche Geschiedenis”. ( ) In overeenstemming daarmee kreeg de kaart van Palestina meer beurten dan die van Nederland.( ) Perea, het Over- Jordaansche, lag mij nader dan Gelderland, op de Palestijnsche bergen was ik meer thuis dan op de Limburgsche heuvelen ( ) Nog, als ik den naam hoor van het meer van Genezareth, zie ik visschers hun net uitwerpen, Jezus wandelen op de wateren, Petrus wegzinken in kleingeloof. ( ) Hoe lieflijk is ons dat Bethlehem met zijn overvolle herberg en de kribbe in de beestenstal.” [5] Ligthart, 182

Jan is de meester nog altijd dankbaar dat hij er leerde werken. De aandacht uit pure interesse bij de sommen. Koopmansrekenen van Adam van Linz. In eigen tempo, niet klassikaal.

“In die school leefde men”.

Later, als de financiële situatie in het gezin nog problematischer wordt, vangt de meester het probleem op. Hij stelt Jan voor kwekeling te worden. Dat levert nog wat geld op zelfs.

“Al weken achtereen had ik mijn schoolgeld niet betaald. Weten de onderwijzers die den kinderen harde standjes geven als deze hun schoolgeld hebben “vergeten”, wat dat voor een kind is? Ze kunnen er zeker van zijn, dat er thuis al heftige tooneelen zijn afgespeeld. Het kind wilde niet naar school zonder schoolgeld, en Moeder had het niet. Het kind draalde, drong, schreide, werd brutaal, bleef tegen den muur hangen, en Moeder kon het geld toch niet van haar rug snijden. Eindelijk zei Moeder: “zeg dan maar dat je ’t vergeten hebt”, maar het kind wist wel, dat noch de meester noch de kinderen dat gelooven zouden.

Nu is het heerlijk, van mijn bovenmeester te mogen getuigen, dat hij tegenover mij teer- en fijngevoelige kieschheid betrachtte. Hij vernederde mij niet midden in de klas, maar riep me in zijn kamertje. Daar drukte hij me ernstig op ’t hart, dat het achterstallige schoolgeld al veel te hoog was opgeloopen, en dat het zoo niet langer ging. ( )

(Is het toch niet al te erg dat zulke geldelijke aangelegenheden worden afgehandeld met een twaalfjarig kind?) ( )

Echter, behalve betalen of verwijderen, was er nog een derde kans. En ik weet nog, hoe mijn hart opsprong van blijde verlichting, toen de bovenmeester me dit uitzicht opende: Ik kon kweekeling worden. Dan kostte ik niets en zou zelfs wat verdienen: gratis opleiding en vijf gulden in de drie maanden” [6]

 

Men beleeft nog de spijt mee die Ligthart gevoelde toen zijn ouders hem van school haalden, op advies van een kennis, om hem naar een “betere” school te sturen. Een soort verraad aan die Afgescheiden school vindt hij het in 1913 nog.

Afgescheidenen: fijn genoeg. Waren dat niet de huichelaars, zei men? Ligthart weet wel anders: het zijn juist de moedigen, zij die openlijk voor hun geloof uitkomen. Ligthart 257



 

 

[3] Rosendaal, 19

[4] J.van der Steeg, De Afscheiding van 1834: geschiedenis of geschenk? De Reformatie jrg 85 nr. 8 21 november 2009

[5] Dit beeld van Ligthart kan zo overgedragen worden naar mijn eigen lagere schooltijd (1949- 1955): het ging echt precies zo. Vaak leek het alsof er voor de 1e pauze bijna geen tijd meer was voor rekenen: zo lang duurde de Bijbelles. En het inzinken in het kinderlijk gemoed ging net zo. Wij kwamen trouwens niet eens toe aan de Limburgse heuvelen: Groningen, Friesland en Drenthe schenen zo belangrijk te zijn dat de rest maar kort aan de orde kwam of niet.

[6] Ligthart, 257.